|

|
B. Rizzoli
De ikoon van de Moeder Gods van de Barmhartigheid
wordt sinds eeuwen bewaard in de basiliek in het
levendige hart van de Romeinse wijk Trastevere.
Deze kerk is verbonden met de figuur van de grote
paus Callixtus (217-222), die wordt beschouwd
als de eerste grote leider van de kerk van Rome.
Hij bouwde met toestemming van de milde keizer
Alexander Severus de eerste openbare gebedsplaats
voor christenen; in Trastevere dus. Het zou de
eerste Mariakerk zijn, maar deze eer wordt ook
opge‘ist door de S.Maria Maggiore en de S.Maria
Antiqua op het Forum.
De
ikoon werd vroeger gedateerd op de 13e eeuw, maar
na de recente restauratie is de inschatting dat
zij afkomstig is uit de 8e eeuw. De ikoon, die
uitzonderlijk groot is (2 bij 1,4 meter), bestaat
uit drie panelen van pijnbomenhout, die bedekt
zijn met doek. De originele afbeelding is 'ad
encausto', een techniek uitgevoerd in bijenwas.
De ikoon is zeer beschadigd en vele malen bijgewerkt.
De figuur
van Maria op de ikoon verbaast ons door haar harmonieuze
grootsheid. Zij is hoog op de troon gezeten op
een purperen kussen met sterren bedekt. Met de
ene hand houdt zij haar kind vast, in de andere
hand houdt zij een kruis. Haar rode, nu verkleurde,
tuniek heeft een hoge tailleband. Op haar hoofd
draagt zij een kroon overdekt met edelstenen en
parels. Rijkversierde banden vallen over haar
schouders en versieren haar hals. Opvallend is
dat de 'maphorion', de schouderdoek ontbreekt.
Zij draagt dezelfde gewaden als keizerin Theodora
op de bekende mozaïeken van Ravenna.
Het kind
heeft een kleine globe in de hand; met de andere
hand houdt het zijn moeder vast. De engelen, in
groenige tuniek en okerkleurige mantel, blikken
in het oneindige. Met hun afwerende gebaren lijken
zij afstand te willen houden van de troon. In
hun hand dragen zij een lans. Het zijn de Heilige
Aartsengelen Michaël en Gabriël, die
worden afgebeeld als maakten zij deel uit van
een hemelse hofhouding. Aan de voeten van Maria
knielt een paus. Het is paus Johannes VII, die
van oosterse komaf was en een grote devotie had
voor de Moeder van God.
Het weergeven
van Maria als keizerin lijkt in Romeinse kringen
in de mode geweest te zijn. Voor de eerste keer
wordt zij aldus afgebeeld in het mozaïek
van de triomfboog van de S.Maria Maggiore. Eveneens
te Rome en bekleed met dezelfde waardigheid vinden
we haar in de apsis van de S.Maria Antiqua (6e
eeuw), in de apsis van de S. Eremtus op de Salaria
Vetus, in de benedenkerk van de S.Clemente en
in de crypte van de S. Prassede (9e eeuw). De
regelmatige terugkeer van dit thema juist te Rome
heeft bij sommigen de mening gevormd dat dit type
van Romeinse oorsprong zou zijn. Maar dit is moeilijk
te bewijzen. De werkzaamheid te Rome, tot omstreeks
900, van een Griekse 'schola' (kolonie, kamp)
en ook van een vermogende en invloedrijke Syrische,
nodigt ons uit over te hellen naar het idee van
een directe invoer vanuit het oosten in het algemeen
of zelfs uit Constantinopel zelf.
Literatuur: Georges Gharib,
L'Icone Mariane, Cittá Nuova 1993, 3e editie
|