|

|
Karel Geenen
Er zijn thans in heel de wereld 69 kopieën
van de lijkwade van Turijn gekend. Daarvan is
de Lierse kopie, die dateert van 1516, de oudste
en de enige van vóór de brand van
1532, waarbij het origineel ernstig werd beschadigd.
Ze wordt bewaard in de Collegiale kerk van Sint-Gummarus
te Lier.
Het is van 1979 geleden dat Lierenaars in eigen
stad de gelegenheid kregen om “hun”
kopie te bewonderen. Ondertussen heeft een generatie
Lierenaars het tijdelijke met het eeuwige verwisseld,
maar loste een nieuwe generatie pallieters de
oudere garde af. Het is dus meer dan tijd dat
dit belangrijk erfgoedstuk uit de kluis wordt
opgediept om het te tonen in de Sint-Gummaruskerk
van Pasen 8 april tot Erfgoeddag 22 april 2007.
Dit initiatief kadert trouwens in de opdracht
die de Vrienden van de Sint-Gummaruskerk en Toerismepastoraal
Sint-Gummarus zich gesteld hebben, namelijk het
vlot toegankelijk maken van de Sint-Gummaruskerk
en haar kunstschatten voor iedereen die belangstelling
heeft voor religieuze kunst en geschiedenis.
De Lierse kopie van de lijkwade wordt in de geplande
tentoonstelling omkaderd door een aantal objecten,
welke als getuigen optreden bij haar rijk en bewogen
verleden. Deze objecten zijn in een vierkant vóór
de lijkwade opgesteld. De vier zijden van de vierhoek
symboliseren de vier hoofdthema’s volgens
dewelke de tentoonstelling is uitgewerkt.
Thema 1:
De beschrijving van de Lierse kopie op zich en
in relatie tot het origineel dat zich bevindt
in Turijn.
Het ontstaan sinds 1905-1909 van enkele Lierse
mythen door enkele publicaties met betrekking
tot het auteurschap van Barend van Orley of Albrecht
Dürer, de mogelijke opdrachtgeefster en bezitster
Margareta van Oostenrijk en het verwerven van
de kopie door de Lierse abdij van Nazareth door
toedoen van de vertrouweling van de landvoogdes,
Antoon van Lalaing, graaf van Hoogstraten.
Thema 2:
De monografie van de Leuvense professor Armand
Thiéry “Une copie du Suaire de Turin”,
verschenen tussen 1905 en 1909, waaruit de Lierse
mythen zijn ontstaan.
Het historisch vaststaande feit dat Margareta
van Oostenrijk een kopie van de lijkwade bezat,
zoals blijkt uit de inventaris van 1523, opgemaakt
bij haar verhuis van Mechelen naar Brussel. Dit
kan de Lierse kopie geweest zijn, maar het is
niet bewezen.
De landvoogdes kan de kopie van de lijkwade gekregen
of gekocht hebben; ofwel er de opdracht toe gegeven
hebben, gezien haar mecenaat, devotie en het prestige
dat een dergelijk object meebrengt.
Hofschilder Barend van Orley kan om verschillende
argumenten niet als de auteur van Margareta’s
kopie van de lijkwade beschouwd worden.
Albrecht Dürer in 1520-21 op reis in de Nederlanden,
te gast bij Barend van Orley en ontvangen door
de landvoogdes, is evenmin de auteur om meerdere
redenen. In zijn nauwkeurig bijgehouden dagboek
vermeldt hij echter een “dode, liggende
Christus” geschonken of verkocht te hebben
aan Nicolaus Ziegler, rijkskanselier van keizer
Karel V, met een waarde van drie gulden.
Wat Margareta’s kopie betreft, bestaat er
een link tussen haar en de Duitse kunstenaar.
Deze link gaat schuil in twee geheimzinnige letters
“ZC” die voorkomen op de Lierse kopie.
Het is aan de bezoeker van deze tentoonstelling
om te ontdekken waaruit deze verborgen connectie
blijkt.
Thema 3:
De abdij van Nazareth kwam omstreeks 1516 in het
bezit van de Lierse kopie van de lijkwade.
In de “Kroniek van Lier”, omstreeks
1615 geschreven door de voormalige burgemeester
van Lier, jonkheer Richard van Graesen, zou “een
graaf” in 1516 de kopie van de lijkwade
geschonken hebben aan de cisterciënzerinnen
van Lier. Het zou kunnen gaan om Antoon van Lalaing,
graaf van Hoogstraten. Bewijzen hiervoor ontbreken
echter.
De cisterciënzerinnen van Nazareth zagen
het opheffen van hun abdij door de Fransen in
1797 vooraf aankomen. Meerdere religieuze voorwerpen
werden nog tijdig in veiligheid gebracht in de
Sint-Gummaruskerk, waaronder de Lierse kopie van
de lijkwade.
Thema 4:
de Lierse kopie van de lijkwade rangschikt zich
onder de religieuze voorwerpen bestemd voor persoonlijke
devotie. Het bezit ervan heeft geen aanleiding
gegeven om de abdij van Nazareth of de Sint-Gummaruskerk
tot een cultusplaats van de lijkwade van Christus
te doen uitgroeien.
Er zijn wel twee voorbeelden gekend, waarbij de
lijkwade van Lier werd gebruikt als een kwaadafwerende
reliek: bij een duiveluitdrijving in de Sint-Gummaruskerk
en het afwenden van de plundering van de abdij
door een bende soldaten.
De originele lijkwade van Turijn vervult als reliek
meerdere functies: ter memorie van Jezus’
kruisdood en verrijzenis, het bekomen van een
gunst of genezing en het afweren van het kwaad.
In de Sint-Gummaruskerk van Lier vervullen de
relieken van de patroonheilige voor de gelovigen
tot op heden dezelfde functie.Lier, 30 januari
2007.
|