Dom Jérôme Leussink (1898-1952), een benedictijn in de leerschool van Pimen Sofronov (1898-1952) 

Dom Jérôme Leussink (1898-1952), een benedictijn in de leerschool van Pimen Sofronov (1898-1952) 

Hoe kwam een Nederlandse benedictijn uit Zwolle, Dom Jérôme Leussink, in de jaren dertig van de vorige eeuw ertoe, in de leer te gaan bij een Russische oudgelovige iconenschilder, Pimen Sofronov, afkomstig uit een vissersdorp aan het Peipusmeer in Estland? En hoe ontwikkelde hun relatie van meester en leerling zich uiteindelijk tot een nauwe samenwerking en een hechte vriendschap? Dit was het onderwerp van een voordracht die P. Antoine Lambrechts onlangs gaf in Vilnius op een colloquium over de uitstraling van de oudgelovige cultuur in het Balticum.

Gerard Leussink: een katholiek uit Zwolle

         Het énige wat beide iconenschilders aanvankelijk gemeen hadden, was hun geboortejaar. Gerard Leussink – de latere Dom Jérôme – werd op 4 oktober 1898 geboren in een vroom katholiek gezin te Zwolle. Na de middelbare school ging hij studeren aan het seminarie van Utrecht, waar hij in 1923 tot priester werd gewijd. Tijdens zijn studies voelde hij zich echter ook al aangetrokken tot het kloosterleven en was hij erg geboeid geraakt door de vernieuwing van de katholieke kerkelijke kunst, met name door de kunstschool van de benedictijnen van Beuron. Met de orthodoxe iconografie kwam hij voor het eerst in aanraking dank zij het nieuwe tijdschrift Irénikon, dat vanaf 1926 werd uitgegeven door de monniken van Amay, vandaag in Chevetogne.

Amay

         De bescheiden communauteit van Amay was eind 1925 opgericht door een benedictijn van Keizersberg in Leuven, Dom Lambert Beauduin, om een plaats te zijn van gebed en studie voor de verzoening van de verdeelde christenen. Onder het motto “geen proselitisme, geen (geïnteresseerde) wel­doenerij en geen (katholiek) imperialisme” wilden de monniken “bij het Oosten in de leer gaan”, “meer liefhebben om beter te begrijpen”. De eerste monniken, die meestal van andere benedictijnenkloosters kwamen, moesten nog alles leren: de byzantijnse liturgie en de gebedsdiensten, de gezangen in het Kerkslavisch en het Grieks, de iconografie, de monastieke levenswijze en de spiritualiteit van de orthodoxe Kerk. Daarom bezochten ze regelmatig de Athos en maakten ze zich vrienden onder de Russische emigratie in Brussel en Parijs.

         Ze moesten nog alles leren, maar ze wilden ook hun liefde voor het christelijke Oosten doorgeven aan het Westen, onder andere op het gebied van de iconografie. Meteen na de stichting werd er een atelier opgericht voor de goedkope reproductie van gedrukte iconen op papier of hout. Op dat gebied hebben ze pionierswerk verricht. Dank zij een onverwachte erfenis konden ze zich in 1928, op de openbare verkoop van de kunstcollectie van Otto-O’Méara in Brussel, ook échte oude iconen aanschaffen. Daaronder waren ook een groot aantal bronzen oudgelovige iconen, die het klooster tot op vandaag volgens de oude technieken reproduceert. Rond dezelfde tijd treden de monniken in contact met de vereniging “Ikona” in Parijs, opgericht in 1927 door de oudgelovige ondernemer Vladimir P. Rjaboesjinskij, en met het « Seminarium Kondako­via­num » in Praag (1925). Op beide plaatsen zou ook Pimen Sofronov lesgeven in de jaren dertig.

Pimen Sofronov

         Pimen Maxίmovitsj Sofronov was net één maand ouder dan Leussink: hij was op 4 september 1898 geboren in Ticheda (Russisch: Tichotka), een vissers­dorp aan de westelijke oever van het Peipusmeer in Estland, een streek die sinds de zeventiende eeuw bewoond wordt door priesterloze oudgelovigen uit Rusland. Op vierjarige leeftijd stierf zijn vader. Omdat hij blijkbaar goed kon tekenen, werd Pimen vanaf zijn twaalfde toevertrouwd aan de beroemde iconenschilder en geestelijke leider van een naburig dorp, Gavriíl Efímovitsj Frolóv (1854-1930), die zelf voortkwam uit een familie van iconenschilders van vader op zoon. Frolоv zou zestien jaar lang niet alleen Sofronovs leermeester zijn, maar ook zijn geestelijke vader. Vanaf 1928 waren ze allebei werkzaam in de “Kring van ijveraars voor de oudheid” (Kružok revnitelej stariny), die in Riga (Letland) was opgericht door de geleerde Ivan N. Zavolóko (1897-1984). Beiden schreven ze ook in het tijdschrift van de Kring, “Onze eigen oudheid” (Rodnaja starina, 1928-1933). Na de dood van Frolov, in 1930, bracht Sofronov het grootste gedeelte van zijn leven verder door in West-Europa (Parijs, Praag, Servië, België, Rome) en de Verenigde Staten, om er te werken of les te geven.

Eerste ontmoetingen

         Hoogstwaarschijnlijk ontmoetten de monniken van Amay Sofronov en zijn “Kring” voor het eerst in december 1931, op de iconententoonstelling van de Vereniging “Ikona” te Parijs, waar Sofronov dat jaar had lesgegeven. Niet alleen kochten ze er toen twee door hem gesigneerde iconen (“O al-bezongen Moeder” en “Beween mij niet, o Moeder”) en bestelden ze er nog één of twee andere bij (een “Moeder Gods van Kazan” en een “Christus de Almachtige”), maar het tijdschrift Rodnaja starina ging ook reclame maken voor Irénikon vanaf het eerste nummer in 1932. Uit brieven van Sofronov aan de Russische prinses Natalia Yashvil, die zelf iconen schilderde en hem op iedere wijze ondersteunde, weten we, dat hij ook van plan was om Amay te bezoeken in 1933.

Pimen Sofronov, O, albezongen Moeder, coll. Chevetogne
Pimen Sofronov, Beween mij niet, o Moeder, coll. Chevetogne

        

Sofronov is dus geen onbekende meer in Amay, als Gerard Leussink in 1935 besluit om, na 12 jaren priesterdienst in allerlei Nederlandse parochies, in het Belgische benedictijnerklooster in te treden. Hij krijgt er de monniksnaam Jérôme (Hieronymus). De eerste jaren mag hij van zijn oversten zijn tekentalenten verder ontwikkelen door privéles te nemen bij Alfred Martin (1888-1950), een leraar van de Koninklijke Kunstacademie van Luik, die vooral bekend stond als landschapsschilder en boekillustrator. Sofronov moet hij in die jaren ook zelf in het klooster aan het werk hebben gezien. Volgens een boekje dat Leussink in 1941 over “De heilige ikonen” zou schrijven, moet Sofronov de grote, prachtige Deisis, die vandaag in de kloosterrefter van Chevetogne hangt, tijdens een langer verblijf in Amay geschilderd hebben. Dit zou best in 1939 kunnen geweest zijn, net voor hij in de herfst van dat jaar naar Rome vertrok.

          Alles wijst erop dat Leussink in die jaren op zoek is naar een goede leermeester en dat ook het klooster graag een échte iconenschilder wilde vormen onder de monniken. Alleen waren er in die tijd weinig of geen katholieke iconenschilders, laat staan leermeesters, en waren ook de meeste orthodoxe iconenschilders, zoals die van de Parijse school, op zoek naar een eigen stijl die schommelde tussen klassiek academisch en creatief kunstzinnig. Een voorbeeld van deze laatste waren de iconen van Julia Reitlinger (1898-1988), een geestelijk dochter van Vader Sergij Boelgakov, of die van de heilige Maria Skobtsova (1891-1945). De traditionele iconenkunst van de oudgelovigen werd door kunstcritici uit die tijd, zoals Vladimir Weidlé (1895-1979), enerzijds wel geduld als een soort voorlopig nood­zakelijk kwaad, maar uiteindelijk afgewezen als zielloos en zonder toekomst[. Dit was niet de mening van anderen, zoals Leussink, die wilden schilderen “naar aloude Russische tradities”. Zoals hij het zelf formuleert in zijn reeds geciteerde boekje: “In hun milieu [nl. dat van de oudgelovigen], leven nog altijd iconenschilders die geheel aan de geest maar ook aan de letter van de oude tradities vasthouden. Een levend voorbeeld daarvan is de iconenschilder Pimen Sofronov uit Riga, een centrum van de oudgelovigen”.

         Hij gaat dus aan Sofronov vragen zijn leermeester te worden. Alleen heeft Sofronov zopas vanuit Rome een uitnodiging gekregen om een “model-iconostase” van 54 iconen te schilderen voor de Wereldtentoonstelling van religieuze kunst, die in 1942 in het Vaticaan zou moeten plaats vinden. Leussink is dus verplicht hem naar Rome te volgen.

         Na een lange treinreis over München komt Leussink eind oktober, begin november 1939 in Rome aan. In zijn regelmatige brieven aan de Prior van Amay, Dom Théodore Belpaire, kunnen we de geleidelijke toenadering volgen tussen de oudgelovige leermeester en zijn katholieke leerling.

Meester en leerling

De eerste weken in Rome leek het allemaal veel ingewikkelder dan Leussink het zich had voorgesteld. Sofronov was enkele jaren voordien gehuwd met een Ser­vische orthodoxe vrouw, Nadezjda Michajlovna, die maar over een zwakke gezondheid beschikte. Het echtpaar bewoonde een bescheiden apparte­mentje, niet ver van het Vaticaan. Hun inkomen beperkte zich natuurlijk maar tot wat eventuele opdrachtgevers voor de iconen wilden geven. Door de dood van prinses Yashvil in hetzelfde jaar 1939 verloor Sofronov ook een belangrijke materiele en morele steun. Veel plaats voor een leerling was er niet in het atelier. Sofronov stelde aanvankelijk voor de lessen een prijs vast die Leussink niet kon betalen: 6000 lire voor het eerste jaar. Niet alleen was dat een grote som, maar bovendien had men in Amay gedacht dat Leussink na een korte stage van drie maanden het iconen schilderen wel geleerd zou hebben. “Er valt wel met hem te praten”, probeert Leussink zijn Prior in België – Dom Théodore Belpaire – te sussen, “ik mag bij hem in de leer zoals hijzelf in de leer was bij Frolov. Ik zal het je later wel uitleggen. Hij schildert ondertussen nóg beter dan wat we van hem in Chevetogne gezien hebben, met een grote finesse en een prachtig coloriet. Ik zoek niets anders dan zijn meesterschap. De eenvoudigste voorwaarden zijn goed genoeg voor mij”.

         Uit zijn vroegere brieven aan prinses Yashvil weten we dat Sofronov hoge eisen stelde aan zijn leerlingen en meestal ontevreden was over het resultaat. “Mijn eerste voorwaarde”, schreef hij haar in 1932, “is, dat ze orthodox zijn en niet roken. Als ze tot nu gerookt hebben, dat ze er dan mee ophouden. Als iconenschilder moeten ze zich ook onthouden van ieder ander onwaardig en laag gedrag. Ik ben ervan overtuigd dat de innerlijke staat van een mens zijn werk als iconenschilder, zelfs het meest banale, ten zeerste beïnvloedt”. Hij verweet zijn leerlingen soms er al te vlug vanaf te willen zijn, het échte vak niet te willen leren, er maar wat op los te schilderen, om snel goedkoop succes te oogsten of er geld mee te verdienen.

         Uiteindelijk worden ze het eens over de prijs: 700 lire per maand, vanaf december. Leussink, dat moeten we toegeven, is een zeer toegewijde leerling, die zich bewust is van de kansen die hem hier geboden worden. Hij combineert praktijk en studie, en hij verliest nooit een minuut, zoals blijkt uit zijn daginde­ling, die hij opstuurt naar Belpaire: “Opstaan om 5, Liturgie om 5:45, ontbijt om 7. Rond 7:45 met de bus naar het Vaticaan. Iets na achten zit ik dan in de Biblioteca Vaticana, en om 9 uur ben ik bij Sofronov, die daar niet ver vandaan woont. Voor het middageten ga ik terug naar het Russicum, maar meteen daarna herneem ik mijn lessen bij Sofronov. Na 17 uur zit ik weer in de bibliotheek, om 19 uur ben ik weer thuis, zodat ik nog ongeveer anderhalf uur heb voor iets anders. (…) De zondagnamiddagen bezoek ik meestal kerken en monumenten, en één keer per week een museum. Ik ben heel tevreden over al wat ik zie bij Sofronov, ik werk bij hem, maar nog meer kijk ik toe”.

De Oudgelovige en de Katholiek

         Al tamelijk snel ontdekt de katholieke priester de diepe vroomheid van het oudgelovige echtpaar:

         “Ik ben goed op weg om een tsjoedotvórets – een wonderwerker – te worden voor hem, of liever voor zijn vrouw”, schrijft hij aan Belpaire in januari 1940. “Zij was onlangs erg ziek. Nu heb ik hier een kleine reliek van het Heilig Kruis, die me heel dierbaar is. Ik heb ze een tijdje uitgeleend aan Sofronov, die de ze aan het hoofdeinde van het ziekbed van zijn vrouw heeft bevestigd. Nu is zij genezen, en natuurlijk enkel en alleen vanwege die reliek… Toen ik hen die reliek bracht, begonnen zij meteen grote poklony (buigingen) te maken en zich te bekruisen, ze vereerden de reliek met grote eerbied en ze brandden er ook wierook voor. Dat zelfde diepe geloof heb ik bij hen wel vaker opgemerkt. Sofronov begint niet aan het gelaat van een heilige, zonder eerst een kruisteken te hebben gemaakt. Op een keer zijn we samen naar het Vaticaans Museum geweest om er de iconen te bekijken en ook een Fajoemportret in het Egyptisch Museum. Toen we daar voorbij enkele Egyptische mummies kwamen, die ikzelf gewoon als museumstukken beschouwde, begonnen zij spontaan naast mij kruistekens te slaan, en Mevrouw Sofronov is zelfs op haar knieën gevallen om even te bidden! Ik was er erg door gesticht…”.

Een eerste balans

         Eind februari zijn de eerste drie maanden voorbij. Op 28 februari – de laatste dag van de maand! – schrijft hij een uitvoerig verslag aan Belpaire over alles wat hij in die tijd geleerd heeft. Maar hij is zich ook bewust van zijn talrijke lacunes en zijn gebrek aan ervaring en hij vraagt met aandrang om zijn verblijf te mogen verlengen:

         “De eerste twee maanden heb ik alleen bepaalde technieken geoefend op papier, of op iconen waar Sofronov zelf mee bezig was”, schrijft hij. “Ik heb meteen begrepen dat ik op technisch gebied nog niet ver stond, afgezien van enkele kleine vaardigheden die ik me voordien had eigen gemaakt. Daarna heb ik planken leren maken voor échte iconen, en ik heb de eerste pas gisteren goed klaar gekregen. Ik ben wel tevreden over het resultaat, maar ik heb nog ongelooflijk veel te leren van hem, vooral nu hij net begint aan enkele grote iconen van Christus en de Moeder Gods voor de iconostase. Het zijn heel grote hoofden, en dat vraagt opnieuw een totaal andere werkwijze. Ik vraag U dus met aandrang, mij de gelegenheid te geven, hier mijn studies nog wat verder te zetten”.

Samenwerking en eerste eigen opdrachten

         Leussinks argumenten overtuigen Belpaire des te meer nu Sofronov zijn leerling verder vrijstelt van ieder studiegeld en hem zelfs uitnodigt om samen te werken aan de model-iconostase voor het Vaticaan, een opdracht die veel meer tijd vraagt dan hij dacht: “zo zijn we allebei geholpen” schrijft Leussink, die mag blijven tot in het begin van de zomervakantie. Op enkele maanden tijd zijn meester en leerling dus tot een hechte samenwerking gekomen. Bovendien moet Leussink regelmatig optreden als tolk bij de onderhandelingen tussen Sofronov en de Oosterse Congregatie.

         In juni 1940 breekt echter ook voor Italië de oorlog uit en Leussink kan niet meer terug naar België. Voor een visumaanvraag zou hij eerst naar Berlijn moeten, zonder enige garantie verder door te mogen reizen naar Chevetogne. Hij blijft dus noodgedwongen in Rome. Tijdens de zomer nodigt de abt van het Benedictijnenklooster in Subiaco, op aanbeveling van kardinaal Eugène Tisserant, hoofd van de Oosterse Congregatie, Leussink uit om enkele fresco’s te schilderen in de kapel van het nieuwe seminarie: de heiligen Benedictus, een aantal scènes uit het Oude Testament, die een belangrijke rol hebben gespeeld in diens leven, en de heilige Scholastica. “Al zijn het geen echte iconen, toch is het een goede leerschool”, schrijft Leussink aan zijn Prior.

         Begin november 1940 meldt Leussink “met diepe droefenis” aan Belpaire dat Sofronovs vrouw, Nadezjda Michajlovna, is opgenomen in een psychiatrische instelling. Het regelmatige bomalarm in de hoofdstad heeft haar zwak gestel blijkbaar totaal gebroken en door elkaar geschud. “Ik heb haar samen met Sofronov bezocht”, schrijft hij, “hij had me daartoe uitgenodigd, maar het was meelijwekkend. Zij heeft mij herkend en heeft mij de zegen gevraagd, maar voor het overige gaf zij de indruk totaal van deze wereld vervreemd te zijn”.

Dom Jérôme Leussink, Byzantijnse huiskapel, Oosterse congregatie, Rome

De byzantijnse huiskapel

         Ondertussen heeft kardinaal E. Tisserant aan Leussink gevraagd om in het zopas vernieuwde paleis van de Oosterse Congregatie, niet ver van het Vaticaan, een byzantijnse huiskapel volledig met fresco’s te beschilderen. Het is maar een kleine ruimte, maar het hele iconografische programma moet er komen, “zoals je die soms op de Athos vindt”: de Moeder Gods van het Teken en de Apostelcommunie in het heiligdom achter de iconostase, de vier Evangelisten, de hemelse Liturgie, Christus de Pantokrator en de engelenkoren op de zoldering, verder de grote feesten van het liturgische jaar en de heiligen op de zijmuren, Abrahams offer in het diakonikon, enz. Leussink zet zich aan het werk, maakt studies, schaft het nodige materiaal aan. Tijdens de hele zomer van 1941 werkt hij voort, zelfs op de heetste dagen. In november van dat jaar is de zoldering klaar. “Sofronov komt regelmatig kijken en hij is het eens met mijn plannen en uitwerking. Hij geeft mij vaak goede raad”, schrijft hij. Ook anderen komen hem aanmoedigen: de professoren van het Oosters Instituut, verschillende monsignori van de Oosterse Congregatie, zelfs kardinaal Tisserant in hoogsteigen persoon beklimt de stellingen. “Hij heeft alles goed bekeken en is heel tevreden”. Al bij al duurt het hele werk bijna drie jaren (1940-1943).

Dom Jérôme Leussink, Het laatste avondmaal
Dom Jérôme Leussink, De voetwassing

L

Laatste opgaven en uitdagingen

         Ondertussen verdiept Leussink zich verder in de geschiedenis van de byzantijnse iconografie en architectuur, hij bezoekt zowat alle bibliotheken van de eeuwige stad. Voor de Slavische en Ethiopische liturgische uitgaven van de Tipografia vaticana ontwerpt hij titelbladzijden, hoofdingen en gravures. In Frascineto (Calabria) schildert hij voor een Italo-Albanese parochiekerk een iconostase van 33 iconen. Daar is hij vier jaar lang mee bezig. Hij lijkt onvermoeibaar en weet van geen ophouden. Op het Grieks College, waar hij vanaf september 1940 zijn intrek neemt, is hij een zeer gewaardeerde geestelijke vader voor de studenten. Ook in het kunstenaarsmilieu van de nabijgelegen Piazza di Spagna trouwens. In talrijke voordrachten probeert hij zijn liefde voor de byzantijnse en andere oosterse iconen met kennis van zaken door te geven.

         Na het vertrek van Sofronov naar de Verenigde Staten, in 1947, lopen de wegen van beide iconenschilders natuurlijk uit elkaar. Leussink blijft in Rome werken, waar hem gevraagd wordt aan het Pauselijk Atheneum De Propaganda Fide les te geven over christelijke Aziatische kunst, een nieuwe uitdaging, die hij met beide handen aangrijpt. Maar helaas, niet voor lang. In de vroege uren van 29 maart 1952 sterft deze onvermoeibare werker op het Grieks College aan een hartinfarct. Daar ligt hij nu ook te rusten, tot aan de Verrijzenis.

Een levende traditie

         Jaren later moet Sofronov over zijn vroegere leerling gezegd hebben: “De schilderwijze en de stijl van de katholieke monnik kwamen tot uitdrukking in een heel eigen interpretatie. Zijn stijl was wel byzantijns, maar niet zoals ikzelf schilder”. Dat hoeft ons niet te verwonderen. Niemand herhaalt een ander. Zelfs de trouwste leerling is nooit een kopie van zijn meester. Hij doorleeft wat hij krijgt en hervormt het geestelijk en cultureel. Want een ikoon is als een spiegel van de ziel, zowel van diegene die ze geschilderd heeft, als van diegene die ernaar kijkt en ervoor bidt. Aan zijn talrijke leerlingen – in Parijs, Praag, Servië, Rome en de Verenigde Staten – heeft Sofronov een oude traditie doorgegeven, maar hij heeft ze tegelijkertijd ook vernieuwd, over de scheiding van de Kerken heen. Als leraar heeft hij aan zijn leerlingen een stukje van zijn eigen ziel doorgegeven, en niet zomaar een dode erfenis: daardoor heeft hij de Kerk levende gehouden en van elkaar gescheiden christenen weer samen­gebracht.


(Auteur: P. Antoine Lambrechts, Chevetogne)

132