|

|
Wim van Loon
Het is donker buiten als ik
het gastenverblijf van het klooster Agiou Grigoríou
(van de Heilige Gregorius) verlaat. Stil ook.
Zoals het hoort, in een oord van tijdloze rust
en stilte. Alleen de zee is te horen. Hoog boven
mij flonkeren ontelbare sterren die in onze verlichte
westerse wereld niet meer te zien zijn. Een paar
medegasten en monniken lopen dezelfde weg. Het
is de Grote Week (de Goede of Stille Week) in
de Orthodoxe Kerk. En we zijn op weg naar het
katholikon voor de viering van Grote Donderdag.
Het
is inmiddels mijn vierde en laatste avond op Athos
tijdens de Grote Vastentijd, een tijd die voor
de monniken gekenmerkt wordt door een extra sober
leven en veel diensten. Ze eten slechts één
keer per dag en op Grote Vrijdag in het geheel
niet. Als ware pelgrims zouden wij - mijn parea
(vriendenclub) en ik - ons ook daaraan moeten
houden, vind ik. En we doen ons best, maar af
en toe hebben we wat extra brandstof nodig. De
monniken verblijven immers voortdurend in hun
klooster en gedragen zich rustig, terwijl wij
dagelijks verder moeten, met onze bagage op de
rug. Maar s avonds en in de kerk is er ook
voor ons voldoende tijd om tot rust te komen.
In de kerk is het ook donker. Een enkele kaars
zorgt voor een spaarzame verlichting en een bijzondere,
mystieke, sfeer. Er is nog bijna niemand aanwezig.
Ik begroet de ikonen, waaronder die van de beschermheilige,
de Heilige Nikolaas, en ga in een sta/hangstoel
langs de muur staan. Daar wacht ik in alle rust
op de dingen die komen gaan. Een monnik steekt
intussen de gebeds-lichtjes bij de ikonen (opnieuw)
aan. Anderen lopen de kerk in en uit zonder dat
direct duidelijk is wat ze doen.
Langzaam stroomt de ruimte vol. Links van mij
zit een Griek met een gebedenboekje, rechts naast
mij neemt een jonge monnik plaats. Zwarte baard,
zwart knotje, zwarte kledij en een vriendelijk
gezicht. Er zitten meer monniken gewoon tussen
de pelgrims, sommigen hebben blijkbaar hun eigen
vaste plaats. Dat gemengde geeft een gevoel van
verbondenheid, ook al zijn we eigenlijk buitenstaanders.
Dat gevoel neemt nog toe, als mijn monnikbuurman
mij aanspreekt om mijn en zijn gele waskaars te
doven. Blijkbaar val ik niet uit de toon.
Die kaarsen hebben monniken aan de aanwezigen
uitgedeeld en men ontsteekt ze tijdens het lezen
van een passage van het lijdensverhaal. Telkens
wanneer een fragment gelezen is, volgt gezang
en moet de kaars uit. Mijn buurmonnik vindt dat
voorzichtig uitblazen niet de juiste manier is.
Hij drukt de lont van mijn kaars tegen zijn kaars
uit en omgekeerd. Later vraagt hij mij om zijn
kaars vast te houden, zodat hij zelf de handen
vrij heeft om zijn kleding te herschikken.
Ik
geniet intussen van het gezang van
de monniken. Als je deze a capella vorm van zingen
eenmaal weet te waarderen, dan vraag je je af
waarom bij het Westers christendom muziekinstrumenten
zon belangrijke rol spelen. Daarnaast draagt
ook het veelvuldige gebruik van het wierookvat
zijn steentje bij aan het juiste gevoel in een
orthodoxe viering en dus ook hier. De viering
duurt zon vier uur, maar halverwege vindt
Vader abt het blijkbaar bedtijd. Samen met een
groepje monniken verlaat hij de kerk.
Ook ik blijf niet tot het einde. Onze Grote Donderdag
is namelijk reeds vroeg begonnen, s morgens
om zes uur in de skiti* van Agia Anna (Heilige
Anna, de moeder van de Moeder Gods). Via de kloosters
Agiou Pavlou, Agiou Dionisíou en Símonos
Petra liepen we uiteindelijk naar Agiou Grigoríou.
Deze tocht, met pittig klimmen en dalen, heeft,
zo heb ik gemerkt, een flinke aanslag op onze
energievoorraad gepleegd. Na het einde van het
lijdensverhaal zoek ik daarom mijn bed op. De
viering van deze avond vormt zeker een van de
hoogtepunten van mijn, te korte, verblijf op de
Agion Oros (Heilige Berg), zoals de Grieken Athos
noemen.
Voettocht
Een
trektocht te voet biedt direct contact met een
bijzondere flora en fauna, met de natuur en met
haar geluiden.
En dat is nog steeds het geval, zo heb ik gemerkt.
Zo hoorden en zagen we vanaf een berghelling aan
de zuidkust diep beneden ons in de zee dolfijnen.
Mensen kwamen we onderweg echter nauwelijks tegen,
in de kloosters daarentegen in grote aantallen.
De moderne (Griekse) pelgrim laat zich inmiddels
vooral vervoeren per (monniken)taxi of per boot
en aloude voetpaden dreigen dicht te groeien of
zelfs te verdwijnen. Hoe komt dat zo?
Eeuwenlang is de natuur op de Heilige Berg onaangetast
gebleven. De laatste jaren zijn er echter op verschillende
plaatsen ingrepen waar te nemen. Bomen worden
(in mijn ogen in te groten getale) gekapt. En
er worden nieuwe wegen aangelegd of oude verbreed,
hetgeen voor het bestrijden van branden zeer nuttig
is. Deze modernisering heeft evenwel
zulke vormen aangenomen dat bijna alle kloosters
nu ook per auto/4x4 jeep bereikbaar zijn. Het
is nauwelijks te bevatten hoe snel de mobiliteitsverandering
heeft plaatsgevonden. Voor de Heilige Berg en
zijn bewoners moet het een behoorlijke schok zijn
(geweest), hoewel niets zonder hun instemming
gebeurt. Die moderne tijd herken je overigens
ook aan monniken met een mobiele telefoon.
Tegen Vader Filímon spreek ik mijn bezorgdheid
over het verloop van deze ontwikkeling uit, maar
wie ben ik om over zon verandering te oordelen?
Hij geeft dan ook een begrijpelijk, en misschien
wel juist, antwoord. Hij meent, dat de nieuwe
wegen van de Agion Oros voor een bezoeker, zeker
als hij spiritueel ontwikkeld is of komt uit een
land dat een nogal hoge sociale standaard kent,
een negatief beeld kunnen geven. Maar, zo legt
hij uit, Griekenland en de Agion Oros zijn nu
begonnen aan een hervorming en hij verwacht dan
ook dat de Heilige Berg de komende jaren een waardig
gezicht zal krijgen, eentje dat past bij zijn
geschiedenis en cultuur.
Vader Filímon had ik terug gezien op de
eerste ochtend van ons verblijf op Athos, tijdens
ons bezoek aan het prachtig gerestaureerde Stavronikíta.
Hij behoort tot een vriendelijke en open gemeenschap.
Zo mochten we hier, in tegenstelling tot in Megisti
Lavra, waar we zouden overnachten, samen met de
monniken eten. Tijdens die maaltijd, die bestond
uit fasoulada (bonensoep), brood, water en olijven,
las Vader Filímon voor uit de H. Schrift.
Na afloop verlieten wij en de andere aanwezigen
tussen twee rijen monniken door de trápeza
(eetzaal) en ontvingen van hem en Vader abt de
zegen. Daarna toonde hij mij vol trots de nieuwste
aanwinst: een Prodrómos-ikoon, gemaakt
van steentjes uit de omge-ving van het klooster.
Het bezoek maakte op mij en mijn parea diepe indruk.
Het maakte de hele eerste dag al bij voorbaat
goed.
Athos,
Agion Oros, de Heilige Berg, is een bijzondere
streek. Het is niet alleen een paradijselijk landschap
of een schat-kamer voor ontelbare schitterende
ikonen, oude muurschilderingen en handschriften,
en prachtige kerken en kloosters. Het is vooral
ook het spirituele centrum van de orthodoxe wereld
en een plaats van gebed, waar de christelijke
traditie op een levende wijze door de eeuwen heen
bewaard is gebleven. Al deze elementen hebben
op mij een onweerstaanbare aantrekkingskracht.
En waarom? Vanwege mijn belangstelling voor Griekenland
of voor de Byzantijnse liturgie en zang? Wie weet.
Misschien echter wel vooral omdat ze, voor mijn
gevoel, in onze moderne Westeuropese maatschappij
als religieuze elementen zijn weggerationaliseerd.
* Een skiti is een kloosterdorp
dat behoort tot een klooster. Het bestaat uit
een paar huizen waar enige monniken wonen. Elke
woning heeft zijn eigen kapel voor de gebruikelijke
diensten. Er is een grote kerk voor de gezamenlijke
vieringen.
|