|

|
Mat Immerzeel
Een
van de meest populaire heiligen van de christelijke
wereld is Joris, die steevast te paard en met
een draak als zijn onafscheidelijke metgezel wordt
afgebeeld (fig. 1). Wie kent niet de legende van
de prinses die werd geofferd aan het monster,
maar op het laatste moment door de toesnellende
Joris werd gered? Hoe bekend dit verhaal ook moge
zijn, de oorsprong ervan is in nevelen gehuld,
hetgeen in het verleden tot tamelijk fantastische
theorieën heeft geleid. Er is derhalve alle
aanleiding om enige bekende gegevens eens op een
rijtje te zetten.
In grote lijnen komt de drakenlegende overeen
met de antieke mythe van Perseus en Andromeda
zoals Ovidius deze in zijn Metamorphosen heeft
opgetekend, maar het gaat te ver te stellen dat
het christelijke verhaal een directe afgeleide
van deze oudere variant is. Wel hebben beide een
archetypische ondertoon gemeen, die ook kenmerkend
is voor zovele andere verhalen over drakendoders
uit diverse culturen en uiteenlopende perioden.
Het gaat telkens om een verwoording van de strijd
tussen goed en kwaad, een zaak die iedere mens
aangaat en misschien wel de kern van zijn religieuze
denken mag worden genoemd.
Over het leven van Joris als persoon bestaat weinig
stelligheid. Laten wij de details van zijn drievoudige
marteldood buiten beschouwing, dan blijft over
dat hij in de derde eeuw is geboren in Cappadocië
en zich als soldaat tot het christendom bekeerde.
Zijn relieken werden bewaard in Lydda (Palestina).
Als heilige maakt Joris deel uit van een groep
soldaatmartelaren, waartoe ook bijvoorbeeld Theodorus
Stratelates, Sergius, Bacchus, Demetrius, Victor
en Mercurius behoren. Zij werden al vrij snel
in de hele christelijke wereld bekend, maar deze
strijders voor het christendom genoten vooral
verering in het Oosten, waar zij voornamelijk
als militaire ruiters werden voorgesteld. Pas
tijdens de kruistochten zouden zij in deze hoedanigheid
ook het Westen bereiken, zij het dat hier alleen
Joris ongekend populair zou worden.
Er zijn maar weinig vroegchristelijke voorbeelden
van ruiterheiligen bewaard gebleven. Door de grootschalige
vernietiging van kunstvoorwerpen tijdens het Ikonoklasme
(726-843) is veel van de Byzantijnse beeldtraditie
van vóór deze periode verloren gegaan.
Egypte ontsnapte aan de vernielzucht van de ikonoklasten,
omdat het sinds 643 viel onder het relatief tolerante
islamitische kalifaat van de Ummayaden en dus
niets meer met de regelgeving van de Byzantijnse
overheid had te maken. Zo komt het dat alleen
voor het land van de Nijl met zekerheid is vastgesteld
dat ruiterheiligen daar al vanaf de vijfde/zesde
eeuw werden afgebeeld. In het klooster van de
heilige Apollo bij Bawît zijn diverse ruiters
met namen van relatief onbekende, plaatselijke
heiligen aan de dag gekomen. Hoewel zij triomfantelijk
te paard zitten, zijn deze figuren niet als soldaat
gekleed en bestrijden zij geen tegenstanders.
Uitzondering is de heilige Sissinos, die met zijn
lans een halfnaakte vrouw, Alabasdria genaamd,
doorsteekt. Dat zij niet deugt, blijkt uit de
toevoeging van een gevleugelde vrouwelijke demon
met een slangenstaart, die volgens het bijschrift
haar dochter is. De heilige gold als bestrijder
van het Manicheïsme, en klaarblijkelijk staat
Alabasdria symbool voor deze concurrerende en
al spoedig van het toneel verdwenen religie.
Het motief van de strijdende ruiter nam binnen
zowat elke paardrijdende cultuur de vorm aan van
oorlogs- en jachtscenes. De realiteit was dan
het uitgangspunt, maar de stap naar de fantasie
was een kleine. In de vierde eeuw v. Chr. werd
op een mozaïek in Olynthos in Griekenland
Bellerophon voorgesteld, die zittend op het gevleugelde
paard Pegasus het vierkoppige monster Chimaira
spietst. Voor enige invloed op de christelijke
thematiek is dit voorbeeld evenwel te vroeg. Zoals
zoveel christelijke themas is dat van de
ruiterheilige ontleend aan de Romeinse keizerlijke
ikonografie, die zich vanwege de propagandistische
functie ook prima leende voor religieuze doeleinden.
Aangezien de boodschap van staatskunst voor tijd-genoten
duidelijk was, kon deze met enige aanpassingen
een vergelijkbare betekenis binnen het christendom
krijgen.
Keizers werden te paard afgebeeld bij hun intocht
in Rome na het behalen van een overwinning, vaak
met de overwonnenen om genade smekend aan hun
voeten. Monumentale kunst bood hiertoe alle mogelijke
ruimte, maar op munten moest men zich noodgedwongen
tot de kern van de zaak beperken. Zo werden in
het vierde-eeuwse Alexandrië geldstukken
geslagen met de beeltenis van een rijdende keizer
die een menselijke figuur of zelfs een slang als
tegenstander had. Duidelijker kon de boodschap
welhaast niet zijn: als beschermer van het Romeinse
Rijk triomfeerde de keizer over diens vijanden,
en geen ander dier dan de slang (draco in het
Latijn), die ongrijpbare bewoner van de onderwereld,
kon symbool staan voor de duistere krachten die
het rijk bedreigden. Hoe bekend dit beeld in de
late oudheid was, blijkt uit voorstellingen van
het oudegyptische verhaal van Horus die de god
van het kwaad Seth doodt, waarbij dit thema zowat
letterlijk een Romeins jasje kreeg aangemeten.
Het beroemdste voorbeeld is een kalkstenen raamwerk
uit de vierde eeuw in het Louvre. Het toont de
als Romeins soldaat geklede valkengod te paard,
terwijl hij zijn tegenstander - voorgesteld als
krokodil - doorsteekt. Er is wel verondersteld
dat dit thema als voorbeeld diende voor Egyptische
ruiterheiligen zoals Sissinos, en zelfs Joris
is in dit verband genoemd, maar in feite zijn
beide themas loten aan dezelfde laatantieke
tak.
De vaste plaats die de ruiterheiligen in de vroegchristelijke
kunst van Egypte hadden weten te verwerven, blijkt
uit de recente ontdekking van wandschilderingen
van drie heiligen te paard in Deir al-Surian (het
Klooster van de Syriërs), vermoedelijk uit
de achtste eeuw. Alleen van Victor is in een bijschrift
de naam bewaard gebleven. Aan de voeten van zijn
rijdier is een er enigszins hulpeloos bijzittende,
gekroonde figuur met een nimbus geplaatst. Dit
is Diocle-tianus, de Romeinse keizer die als christenvervolger
bij uitstek de geschiedenis is ingegaan. Ten opzichte
van de antieke voorbeelden hadden ruiter en slachtoffer
nu van plaats gewisseld; in de christelijke optiek
was niet de wereldlijke heerser, maar de heilige
die de marteldood stierf - de voormalige staatsvijand
- de ware overwinnaar.
In
Bawît werd ook de tot nu toe oudste voorstelling
van Joris aangetroffen, zij het dat de heilige
staande is afgebeeld. Als ruiter komen wij hem
voor het eerst tegen op het rechterpaneel van
een triptiek in het Katherinaklooster in de Sinaï,
dat vermoedelijk uit de negende of tiende eeuw
stamt (fig. 2). Met zijn speer verwondt hij echter
geen draak, maar een man. In de Koptische literatuur
werd zijn tegenstander aangeduid als de Perzische
koning Dadianus, en het is misschien deze overigens
niet uit historische bronnen bekende figuur die
op het paneel is voorgesteld. Op het linker paneel
wordt daarentegen wel een draak gedood, maar dan
door Theodorus Stratelates. Dit stemt overeen
met de verhalen over deze heilige, volgens welke
hij aldus de kinderen van een weduwe van de dood
redde.
Na
een periode van relatieve stilte kende het christelijke
Midden-Oosten van de elfde tot en met de dertiende
eeuw een artistieke bloei. In diverse kerken uit
deze tijd werden op de muren ruiterheiligen afgebeeld.
Voor wat betreft de draak was er niet veel veranderd.
In het gehele oostelijke Middellandsezeegebied
was Theodorus de drakendoder, zoals op een schildering
uit 1232/33 in de kerk van het Koptische Antoniusklooster
(fig. 3), maar de ikonografie van Joris verschilt
per regio. In Egypte bestrijdt hij altijd menselijke
figuren, bijvoorbeeld Euhius. Deze soldaat probeerde
een aan Joris gewijde kerk te vernietigen. Een
jood met dezelfde snode intentie kwam er beter
van af: Joris bekeerde deze door hem met zijn
speer aan te raken. Beide varianten zijn eveneens
in het Antoniusklooster terug te vinden. In Libanon
en Syrië werd daarentegen de voorkeur gegeven
aan een andere, uit Byzantijnse bronnen bekende
legende: het slaafje van Mitilini (Lesbos) dat
door Joris werd bevrijd op het moment dat hij
wijn inschonk voor zijn meester. Het jongetje
zit dan achter op het paard, met een schenkkan
nog in de hand.
Tegen het einde van de elfde eeuw kwam de eerste
kruistocht op gang. Hoewel, of misschien zelfs
juist omdat de meeste deelnemers berooid, afgepeigerd
en paardloos in het Heilige Land arriveerden,
moeten zij al spoedig een diep respect hebben
ontwikkeld voor de ruiterheiligen die zij daar
geschilderd op muren en ikonen aantroffen en waarover
de plaatselijke christenen vertelden. Dit waren
nog eens ridders. Zo wilden zij zelf ook zo graag
zijn: dappere strijders te paard die de strijd
aanbonden met de vijanden van het christendom!
Tekenend voor de plots opbloeiende verering van
deze heiligen zijn de (latere) verhalen over hun
assistentie bij de inname van Antiochië (1098)
en Jeruzalem (1099). De hoofdrol was hierbij weggelegd
voor Joris, die al spoedig de lieveling van de
kruisvaarders werd. Het feit dat Lydda, waar Joris
relieken werden bewaard, inmiddels ook in hun
handen was gevallen, zal mede van invloed zijn
geweest op zijn populariteit.
Een
prachtig voorbeeld van de Jorisverering door westerlingen
in het Oosten is een dertiende-eeuwse ikoon in
het Katherinaklooster (fig. 4). Dit stuk moet
in een kruisvaarderstaat zijn geschilderd door
een westerse artiest die de Byzantijnse stijl
en ikonografie nabootste. De ikoon stelt Joris
en Theodorus te paard voor, overigens niet in
strijd verwikkeld, maar wel met een kruisvaardervlag
aan hun lans gebonden. Aan de voeten van de eerste
knielt een kleine man die blijkens het bijschrift
ene Joris uit Parijs voorstelt. Ongetwijfeld heeft
deze naamgenoot de ikoon als gift voor een kerk
of klooster meegenomen tijdens zijn pelgrimage
door het Midden-Oosten.
Met
de terugkeer van de pelgrims en kruisridders naar
hun vaderland kwam nu ook voor Joris de weg naar
het Westen definitief vrij te liggen. Nog tijdens
de kruisvaarderperiode zou hij de schutspatroon
van soldaten, gilden, steden en landen zoals Engeland
worden. Vroeg of laat moet ook de ikonografie
van Joris als ruiter in Europa zijn doorgedrongen,
ongetwijfeld dankzij tekeningen die op oosterse
voorbeelden waren gebaseerd. In een vermoedelijk
in Venetië vervaardigd handschrift in Freiburg
is zon schets opgenomen (fig. 5). De compositie
doet merkwaardig genoeg sterk aan die van de ikoon
van George de Paris denken. De twee
ruiters worden in het Latijn als Theodorus en
Constantijn aangeduid, maar de laatste had natuurlijk
Joris moeten heten. In Rome stond het bekende
bronzen ruiterbeeld van Marcus Aurelius, en lange
tijd verkeerde men in de veronderstelling dat
dit Constantijn was. Andere ruitervoorstellingen
kende men in het Westen nog nauwelijks en de verwisseling
van de beroemde martelaar met de eerste christelijke
keizer is dan ook volkomen verklaarbaar vanuit
de toenmalige kennis.
Inmiddels moeten wij constateren dat noch in de
kunst van de plaatselijke christenen, noch in
die van de kruisvaarders in het Midden-Oosten
Joris als drakendoder voorkwam, hetgeen doet vermoeden
dat er voor de oorsprong van dit thema in een
andere richting moet worden gezocht. Zoveel is
zeker dat de oudst bekende schriftelijke verwijzingen
in westerse handschriften zijn aangetroffen. In
een twaalfde-eeuws manuscript in München,
de in het Latijn geschreven Codex Monachorum,
wordt in de hagiografie van Joris terloops de
strijd met de draak vermeld. De betreffende passage
zou slechts een prelude zijn op het werk dat de
ikonografie van heiligen in het Middeleeuwse westen
diepgaand zou beïnvloeden: de Legenda Aurea
(Gouden Legende) van de Italiaanse geestelijke
Jacobus de Voragine uit omstreeks 1260. In het
hoofdstuk over Joris gaat de auteur uitgebreid
in op de strijd met de draak en het bevrijden
van de prinses. De Voragine situeert de gebeurtenis
in Silene in Libië, maar vermoedelijk was
hij geïnspireerd door verhalen uit meer naar
het oosten gelegen streken.
Byzantijnse schriftelijke bronnen die verwijzen
naar het doden van de draak van vóór
de
Legenda Aurea zijn niet overgeleverd. Wel zijn
er enige vroegere wandschilderingen die dit onderwerp
afbeelden behouden gebleven. Het oudst bekende,
gedateerde voorbeeld is aanwezig in de Joriskerk
van het Russische Staraja Ladoga (1167). Meer
op de weg naar het Heilige Land ligt Göreme
in Cappadocië, alwaar in de Kerk van de Veertig
Martelaren in 1217 zowel Joris als Theodorus werden
geschilderd, beiden in het gezelschap van een
slangachtige draak. Deze schilderingen vormen
een concrete aanwijzing voor het bestaan van de
draaklegende in de Byzantijnse context vóór
deze dankzij de gegroeide contacten tussen Oost
en West op grote schaal bekendheid zou verwerven.
Pas
lang na het vertrek van de laatste kruisvaarders
zou de legende ook in het Midden-Oosten worden
geïntroduceerd. Vermoedelijk had dit hooguit
slechts zijdelings te maken met de invloed van
de Legenda Aurea of de westerse Jorisikonografie.
Door de sterke uitbreiding van het Ottomaanse
Rijk kwamen alle christenen uit het oostelijke
Middellandsezeegebied nu binnen de grenzen hiervan
te wonen, en konden heiligenverhalen en de daarvan
afgeleide ikonografie gemakkelijker worden uitgewisseld.
Vanaf de zeventiende eeuw zouden Palestijnse,
Syrische en koptische schilders Joris en de draak
op talloze ikonen schilderen, vaak in combinatie
met het in het Westen vrijwel onbekende verhaal
van het slaafje uit Mitilini (fig. 6). De christenen
van het Midden-Oosten verkeren evenwel nog steeds
in de veronderstelling dat de drakenlegende een
plaatselijke, vroegchristelijke oorsprong heeft.
Het gevecht zou zich hebben afgespeeld bij de
Baai van Jounieh, ten noorden van Beiroet, maar
de oudste teksten waarin hiervan gewag wordt gemaakt
zijn niet ouder dan de zestiende eeuw.
Er is nog een probleem op te lossen: hoe kwam
het dat Joris op een zeker moment een heldendaad
werd toegedicht die eigenlijk voor rekening van
Theodorus kwam? Uit de genoemde voorbeelden blijkt
dat in het Oosten beiden vaak tezamen werden afgebeeld.
Een volkswijsheid wil, dat als mensen lang met
elkaar omgaan zij op een gegeven moment op elkaar
gaan lijken. Blijkbaar gold dit ook voor heiligen.
Wellicht werden Joris en Theodorus zo vaak in
een adem genoemd, dat een al dan niet opzettelijk
veroorzaakte verwisseling van daden welhaast onvermijdelijk
was. Theodorus moet hier niet blij mee zijn geweest.
Het was uiteindelijk zijn strijdmakker die met
alle eer ging strijken, en kon uitgroeien tot
een van de meest bekende en tot de verbeelding
sprekende heiligen van de christelijke wereld.
Literatuur:
S. Braunfels-Esche, Sankt Georg, München
1976.
K.-H. Brune, Der koptische Reiter:
Jäger, König, Heiliger: ikonographische
und stilistische Untersuchung zu den Reiterdarstellungen
im spätantiken Ägypten und die Frage
ihres Volkskunstcharakters,
Altenberge 1999.
L.-A. Hunt, A Womans Prayer
to Saint Sergius: Interpreting a Thirteenth-Century
Icon at Mount Sinai, in: Byzantium,
Eastern Christendom and Islam. Art at the
Crossroads of the Medieval Mediterranean, Vol.
II, London 2000, 78-126.
Illustraties:
1. Joris en de draak; koptische ikoon van Ibrahim
al- Nasikh, achttiende eeuw; Coptic Museum, Cairo.
2. Theodorus en Joris; zijpanelen van een triptiek,
negende-tiende eeuw; Catherinaklooster.
3. Theodorus en de draak; wandschildering, 1232/33;
Antoniusklooster, Egypte, 1232/33.
4. Joris, Theodorus en Joris uit Parijs; ikoon,
dertiende eeuw; Catherinaklooster.
5. Constantijn en Theodorus; tekening,
dertiende eeuw; Augustinermuseum Freiburg.
6. Joris, de draak en het slaafje van Mitilini;
Palestijnse ikoon geschilderd door Michael Mhanna
al Qudsi, tweede helft van de negentiende eeuw;
collectie Antoine Touma.
|