De verzegelde engel en Serafim van Sarov

De verzegelde engel en Serafim van Sarov

Het belang van ikonen in het geloofsleven van het oude Rusland is voor de hedendaagse mens soms moeilijk te begrijpen. Ikonen maakten vanzelfsprekend deel uit van het dagelijkse leven, zowel voor de individuele mens als voor de gemeenschap waartoe hij behoorde. Ikonen waren niet zomaar versiering, maar een reële aanwezigheid van Gods genade, zij boden hulp en bescherming, en men ging ermee om alsof het unieke, onvervangbare personen waren.

Valentin Serov, Portret van Nikolaj Leskov, 1894, Tretjakov Galerij Moskou

Een van de mooiste illustraties hiervan is De verzegelde engel van de Russische schrijver Nikolaj Leskov (1831-1895), een verhaal dat iedere lezer van Eikonikon zou moeten gelezen hebben (afb. 1). Het speelt zich af in een gemeenschap van Russische Oudgelovigen Staroobrjadtsy of Raskolniki, een bevolkingsgroep die zich in de tweede helft van de 17de eeuw van de Orthodoxe Kerk had afgescheiden vanwege een autoritair doorgevoerde liturgische hervorming. Tot vandaag blijven de Oudgelovigen vasthouden aan vroegere riten en gebruiken, aan éénstemmige muziek tijdens de gebedsdiensten en ook aan een eigen ikonografische traditie. Tot in het begin van de twintigste eeuw werden zij door Kerk en Staat vervolgd. Officieel hadden zij geen bestaansrecht, in het beste geval werden ze gewoon geduld. Leskov kende de Oudgelovigen van in zijn kinderjaren en ook op latere leeftijd is hij zich voor hun tradities blijven interesseren.

In de jaren zestig van de XIXe eeuw was hij bevriend geraakt met een bekende oudgelovige ikonenschilder izograaf, Nikíta Savostjánovitsj Ratsjéjskov, die hij regelmatig bezocht met zijn jonge zoon, Andrej. Deze schetste later van hem het volgende portret: “Ratsjéjskov scheen zo van een ikoon uit de school van Stroganov te zijn weggelopen. Lang, wat dor van gestalte, in een zwarte boerenjas die bijna tot op de grond hing, hoog dichtgeknoopt, en Russische laarzen die kraakten. Een beeld van een man! Hij zat te werken in een bedrukt katoenen hemd, met een zilveren bril op, een dun penseeltje met slechts enkele haartjes in de hand, één en al aandacht en vrome geabsorbeerdheid bij het scheppen van zijn Deësis-figuren, heilanden, engelen, hemelse heerscharen en andere ikonen, gewijd aan verschillende heiligen. (…) zijn gezicht was zedig, vredig, met een rechte smalle neus, donker, hier en daar door zilver aangetast en met een rechte scheiding in tweeën gedeeld haar. Zijn aanblik leek streng, maar hij keek je goedig vriendelijk aan. Zijn woorden waren bedachtzaam, niet luid, karig, maar duidelijk en met verstand gekozen. Zijn hele figuur was die van een door de heilige geest bezielde! (…) Velen, en ook mijn vader, vroegen zich verbaasd af hoe hij met die kolenscheppen van handen het uiterst fijne icoonschilderwerk kon verrichten. Maar hij antwoordde dan
 goedmoedig: ‘Dat
betekent niets! Kunnen mijn vingers
 mij iets veroorloven 
of niet veroorloven? Ik ben hun baas, zij zijn mijn dienaren en moeten mij gehoorzamen’”. Ratsjéjskov zou later model staan voor de ikonenschilder Sevastian in de verzegelde engel. 

Het verhaal

2. Nazarij Istomin Savin, Engelbewaarder, 17e eeuw, Stroganov school, Russisch Staatsmuseum, Sint Petersburg

De verzegelde Engel werd in 1873 geschreven en wordt terecht beschouwd als één van de mooiste verhalen van Leskov. Het gaat over de bekering van een rondreizende oudgelovige werkgemeenschap artel’ tot de Orthodoxe Kerk. Het verhaal wordt op een gure oudejaarsavond verteld in een herberg door een vroeger lid van die gemeenschap, Mark, die het zelf allemaal heeft meegemaakt: door het verhaal brengt hij als het ware ook zijn toehoorders van oud naar nieuw. Zijn gemeenschap werd “geleid door een Engel”, zegt hij. De “engel” is inderdaad in het hele verhaal een soort leidmotief. In de eerste plaats blijkt het om een waardevolle oude ikoon te gaan van een Beschermengel uit de school van Stroganov, een ikoon die de gemeenschap overal mee begeleidde, zoals de Ark het Joodse volk begeleidde door de woestijn (afb. 2).

3. Anoniem, Engelbewaarder, Oudgelovigen-ikoon, rond 1800

Door het ijdele en onvoorzichtige gedrag van een lid van de gemeenschap wordt die ikoon
 op een dag door de autoriteiten 
in beslag genomen en met een lakzegel op het gelaat verminkt. 
Ze besluiten nu de ikoon terug te stelen om hem te ontzegelen en te vervangen door een kopie. Maar de ontzegeling van de oude ikoon en het schilderen van een identieke kopie kan alleen verricht worden door een oudgelovige ikonograaf die nog schildert volgens de oude tradities van de Stroganovschool, de rondreizende zograaf Sevastian. De verteller Mark wordt er samen met een jongen van 17 jaar, Levontij, op uit gestuurd om Sevastian te vinden. Ook op die zoektocht worden ze eveneens geleid door een onzichtbare engel. In andere oudgelovige gemeenschappen,  met name in Moskou, vinden ze niets dan hoogmoed, corruptie en decadentie. Onderweg wordt Levontij ziek en verdwalen ze in een bos. Een Orthodoxe kluizenaar, de zachtmoedige starets Pamva, vindt hen en verleent hen voor één nacht onderdak. In die nacht bekeert Levontij zich tot de Orthodoxe Kerk, net voor hij sterft. Mark vervolgt zijn reis alleen, vindt uiteindelijk Sevastian, die een identieke kopie schildert en de oude ikoon ontzegelt (afb. 3). De kopie wordt nu op haar beurt “verzegeld”. Maar op het moment dat ze ingeruild moet worden tegen de oude ikoon, verdwijnt dat zegel op wonderbaarlijke wijze. De overste van de gemeenschap biecht ter stond alles op bij de Orthodoxe bisschop die de hele gemeenschap opneemt in de Orthodoxe Kerk.

De sleutelfiguur Pamva: Gods Engel, een theofanie 

Engelbewaarder (Angel chranitel’), Oudgelovigen-ikoon, Moskou, rond 1800

Het spannende verhaal heeft,
 op het eerste gezicht, een ietwat onverwacht en ongeloofwaardig slot. Toch is die plotse bekering niet zomaar een goedkoop Deus ex machina-trukje. De bekering wordt door allerlei toespelingen vanaf het begin aangekondigd. Het is Gods Engel die hen naar die stap heeft geleid. De sleutelfiguur in het hele verhaal is de starets Pamva. Net voor hij verschijnt in het bos, bidt Mark in doodsangst: “Engel van Christus, redt ons in dit vreselijke uur”. Pamva is een verschijning van Gods Engel, een soort theofanie. Op de vraag van Mark, weigert Pamva zijn naam te zeggen, een duidelijke verwijzing naar het nachtelijk gevecht van Jacob met de Engel Gods in het Oude Testament (Gen. 32,30-31). Mark beschrijft 
hem ook 
als volgt:
 “Ach, hoe edel, hoe 
verheven 
zag hij 
eruit, het
 was of een
 engel daar
voor mij 
zijn bastschoenen 
lapotki zat
te vlechten, om in eenvoud aan
 de wereld te verschijnen”. Pamva geeft zelf de sleutel van het verhaal. Hij verwijt aan Mark, en aan de Oud-gelovigen, Babylon te willen bouwen, en hij legt uit: “Wat is Babylon? De toren der zelfverheffing. Verhef je niet op de waarheid, want dan zal de Engel van je wijken”, en verder: “De Engel is vreedzaam en zachtmoedig, hij hult zich in dat wat God hem beveelt, hij verricht dat wat God hem gebiedt. Zo is de Engel. Hij leeft in de ziel des mensen en is door ijdele wijsheid verzegeld, maar liefde zal het zegel verbreken”… Na die woorden verwijderde hij zich van mij, maar ik kon mijn ogen niet van hem afwenden, en niet in staat mij te beheersen, viel ik achter hem neer en boog het hoofd ter aarde. Toen ik opstond zag ik hem niet meer”. Mark beseft dat het om een Godverschijning gaat, een Theofanie, en hij zegt tot zichzelf: “Maar als hij zelf eens de Engel was, aan wie God heeft bevolen aan mij te verschijnen in een andere gedaante: dan zal ik sterven, net als Levontij!” En hij slaat op de vlucht.

Pamva en Pambo uit de Vaderspreuken
De naam Pamva heeft Leskov hoogstwaarschijnlijk ontleend aan de Vaderspreuken van de Egyptische woestijnvaders. Ook daar is Abba Pambo een zwijgzame figuur die zelden antwoord geeft als hem iets gevraagd wordt, wiens gelaat straalt van Gods heerlijkheid, en die ons aanraadt “met iedereen medelijden te hebben”.

Pamva en Serafim van Sarov

Portret-ikoon van de heilige Serafim van Sarov, eind 19e eeuw, Museum Diveevo

Maar er is hoogstwaarschijnlijk nog een andere inspiratiebron voor de figuur van starets Pamva: namelijk het leven én de oudste ikonografie van de Russische Orthodoxe heilige Serafim van Sarov (1759-1833). De uiterlijke beschrijving van Pamva komt inderdaad helemaal overeen met de oudste afbeeldingen van Serafim van Sarov, die later ook de ikonen zouden inspireren: “Een heel klein oud mannetje met een muts op het hoofd; ik kon zelfs zien dat er aan zijn riem een bijl zat vastgemaakt en dat hij op zijn rug een grote bos sprokkelhout droeg”, en verder: “het oudje ging voorop, hij zag er net zo uit als hij mij bij de eerste blik was voorgekomen: klein en gebogen, en zijn baardje had aan weerszijden allemaal plukjes, als wit zeepschuim”.

Portret-ikoon van de heilige Serafim van Sarov, eind 19e eeuw, Museum Divejevo, Rusland

Uit levensbeschrijvingen van de hl. Serafim is ook bekend dat zijn celdienaar Pavel, hem regelmatig vroeg geen kaarsen aan te steken, uit angst voor brandgevaar, net zoals de celdienaar Miron van starets Pamva in het verhaal van Leskov. De hl. Serafim had ook voorspeld dat een brand in zijn cel een teken zou zijn van zijn naderende dood, wat inderdaad ook zo geschiedde. De vergelijkingen van Pamva met de Engel kunnen op zich al een verwijzing zijn naar de naam “Serafim”, die in het Hebreeuws betekent “de brandende”, de “vurige”. Zowel Pamva als de hl. Serafim zijn “helderziend”. Ze begrijpen de dingen en de mensen intuïtief, zonder woorden. Pamva kent het doel van de reis van Mark en Levontij en begrijpt hen zonder woorden: “het was of Levontij bij de starets was gekomen en of zij over het geloof spraken, maar zonder woorden, ze keken elkaar maar aan en begrepen elkaar”. Er zijn getuigenissen over de hl. Serafim waarin hij Oudgelovigen maant zich tot de Orthodoxe Kerk te bekeren, hen uitlegt hoe ze het kruisteken moeten maken, enz. Tenslotte leefden zowel Pamva als Serafim van Sarov in de bossen van Nizjnij Novgorod.

Portret van de heilige Serafim van Sarov, getekend door de zusters van Diveevo op een stuk hemd van de heilige Serafim (bewaard in het klooster van Diveevo)

Volgens sommige specialisten is het overigens niet uitgesloten dat Serafim van Sarov zelf voortkwam uit een oudgelovige familie en nog vasthield aan bepaalde gebruiken. Op vroege schilderijen en ikonen wordt hij meestal afgebeeld met een lestovka in de hand, het gebedssnoer van de Oudgelovigen, en een groot bronzen kruis op de borst. Zulke in zand gegoten bronzen kruisen waren erg populair bij de Oudgelovigen.

In het leven van Leskov is De verzegelde engel zowel een literair hoogtepunt als een ideologisch keerpunt. Voor de laatste keer wilde hij zichzelf ervan overtuigen, dat een terugkeer van de Oudgelovigen naar de Orthodoxe Kerk mogelijk was en een aanvaardbare oplossing voor een maatschappelijk probleem. De ideale Orthodoxe Kerk voor Leskov is die van de charismatische, nederige Pamva, of die van Serafim van Sarov. “Heere! – zegt de verteller Mark tot zichzelf – als er maar twee zulke mensen in de Kerk zijn, dan zijn wij verloren, want deze mens is geheel door liefde bezield”.

Menselijke waarden

In de jaren daarna ging Leskov
 hoe langer hoe kritischer staan ten opzichte van de officiële Orthodoxe Kerk. In de jaren zeventig, enkele jaren na De verzegelde engel, verschijnen zijn verhalen Aan de rand van de wereld (1875)Kleinigheden uit het leven van een bisschop (1878), en andere verhalen waarin hij de hiërarchie kritisch en met ironie onder de loep neemt. Ondanks al zijn latere sympathieën voor Tolstoj zal hij echter nooit een échte Tolstojaan worden en zijn christelijke overtuigingen behouden. In zijn kerstverhaal Hoe Onze Lieve Heer een boer bezocht (1881), dat zich ook onder Oudgelovigen afspeelt, is er geen sprake meer van bekeringen tot de Orthodoxe Kerk, maar van authentieke christelijke vergeving. Hij zal ook met veel sympathie gaan schrijven over andere christelijke confessies, zoals bijvoorbeeld, drie jaar voor zijn dood, in zijn herinneringen aan de hongersnood uit 1840, Het tranendal (1892), waarin hij een ontroerend beeld geeft van een Engelse Quakeres, die een voorbeeld was van christelijke toewijding, vreugde en naastenliefde. Leskov ging hoe langer hoe meer zoeken naar algemeen menselijke én christelijke waarden, die hij toeschreef aan zogenaamde pravedniki, rechtvaardigen. Hij schilderde hen met woorden alsof het levende ikonen waren. Uiteindelijk is hoogmoed
 – hoogmoed, of je nu tot de Kerk behoort of niet, en vindt men nederigheid, liefde, behulpzaamheid en vergeving niet alleen onder christenen. En daarvan mogen ook christenen overtuigd zijn.

Bibliografie:                                                                                                                              N.S. Ljeskow, Romans en Verhalen, Vertaald door Tom Eekman (De Russische Bibliotheek), Amsterdam, G.A. Van Oorschot, 1957. Over Ljeskow (met teksten van T. Eekman, Andrej Ljeskow, C.G. Schwencke), Amsterdam, 1957. Irina Goraïnoff, Serafim van Sarov. Vertaald door A. Beekman (Monastieke cahiers, 3), Bondheiden, 1981. De meest toegankelijke biografie.

Door: P. Antoine Lambrechts