Joris en de Draak

Joris en de Draak

Mat Immerzeel

Een van de meest populaire heiligen van de christelijke wereld is Joris, die steevast te paard en met een draak als zijn onafscheidelijke metgezel wordt afgebeeld (fig. 1). Wie kent niet de legende van de prinses die werd geofferd aan het monster, maar op het laatste moment door de toesnellende Joris werd gered? Hoe bekend dit verhaal ook moge zijn, de oorsprong ervan is in nevelen gehuld, hetgeen in het verleden tot tamelijk fantastische theorieën heeft geleid. Er is derhalve alle aanleiding om enige bekende gegevens eens op een rijtje te zetten.
Joris en de draak; koptische ikoon van Ibrahim al- Nasikh, achttiende eeuw; Coptic Museum, Cairo.

Joris en de draak; koptische ikoon van Ibrahim al- Nasikh, achttiende eeuw; Coptic Museum, Cairo.

In grote lijnen komt de drakenlegende overeen met de antieke mythe van Perseus en Andromeda zoals Ovidius deze in zijn Metamorphosen heeft opgetekend, maar het gaat te ver te stellen dat het christelijke verhaal een directe afgeleide van deze oudere variant is. Wel hebben beide een archetypische ondertoon gemeen, die ook kenmerkend is voor zovele andere verhalen over drakendoders uit diverse culturen en uiteenlopende perioden. Het gaat telkens om een verwoording van de strijd tussen goed en kwaad, een zaak die iedere mens aangaat en misschien wel de kern van zijn religieuze denken mag worden genoemd.

Over het leven van Joris als persoon bestaat weinig stelligheid. Laten wij de details van zijn drievoudige marteldood buiten beschouwing, dan blijft over dat hij in de derde eeuw is geboren in Cappadocië en zich als soldaat tot het christendom bekeerde. Zijn relieken werden bewaard in Lydda (Palestina). Als heilige maakt Joris deel uit van een groep soldaatmartelaren, waartoe ook bijvoorbeeld Theodorus Stratelates, Sergius, Bacchus, Demetrius, Victor en Mercurius behoren. Zij werden al vrij snel in de hele christelijke wereld bekend, maar deze strijders voor het christendom genoten vooral verering in het Oosten, waar zij voornamelijk als militaire ruiters werden voorgesteld. Pas tijdens de kruistochten zouden zij in deze hoedanigheid ook het Westen bereiken, zij het dat hier alleen Joris ongekend populair zou worden.

Er zijn maar weinig vroegchristelijke voorbeelden van ruiterheiligen bewaard gebleven. Door de grootschalige vernietiging van kunstvoorwerpen tijdens het Ikonoklasme (726-843) is veel van de Byzantijnse beeldtraditie van vóór deze periode verloren gegaan. Egypte ontsnapte aan de vernielzucht van de ikonoklasten, omdat het sinds 643 viel onder het relatief tolerante islamitische kalifaat van de Ummayaden en dus niets meer met de regelgeving van de Byzantijnse overheid had te maken. Zo komt het dat alleen voor het land van de Nijl met zekerheid is vastgesteld dat ruiterheiligen daar al vanaf de vijfde/zesde eeuw werden afgebeeld. In het klooster van de heilige Apollo bij Bawît zijn diverse ruiters met namen van relatief onbekende, plaatselijke heiligen aan de dag gekomen. Hoewel zij triomfantelijk te paard zitten, zijn deze figuren niet als soldaat gekleed en bestrijden zij geen tegenstanders. Uitzondering is de heilige Sissinos, die met zijn lans een halfnaakte vrouw, Alabasdria genaamd, doorsteekt. Dat zij niet deugt, blijkt uit de toevoeging van een gevleugelde vrouwelijke demon met een slangenstaart, die volgens het bijschrift haar dochter is. De heilige gold als bestrijder van het Manicheïsme, en klaarblijkelijk staat Alabasdria symbool voor deze concurrerende en al spoedig van het toneel verdwenen religie.

Het motief van de strijdende ruiter nam binnen zowat elke paardrijdende cultuur de vorm aan van oorlogs- en jachtscenes. De realiteit was dan het uitgangspunt, maar de stap naar de fantasie was een kleine. In de vierde eeuw v. Chr. werd op een mozaïek in Olynthos in Griekenland Bellerophon voorgesteld, die zittend op het gevleugelde paard Pegasus het vierkoppige monster Chimaira spietst. Voor enige invloed op de christelijke thematiek is dit voorbeeld evenwel te vroeg. Zoals zoveel christelijke thema’s is dat van de ruiterheilige ontleend aan de Romeinse keizerlijke ikonografie, die zich vanwege de propagandistische functie ook prima leende voor religieuze doeleinden. Aangezien de boodschap van staatskunst voor tijd-genoten duidelijk was, kon deze met enige aanpassingen een vergelijkbare betekenis binnen het christendom krijgen.

Keizers werden te paard afgebeeld bij hun intocht in Rome na het behalen van een overwinning, vaak met de overwonnenen om genade smekend aan hun voeten. Monumentale kunst bood hiertoe alle mogelijke ruimte, maar op munten moest men zich noodgedwongen tot de kern van de zaak beperken. Zo werden in het vierde-eeuwse Alexandrië geldstukken geslagen met de beeltenis van een rijdende keizer die een menselijke figuur of zelfs een slang als tegenstander had. Duidelijker kon de boodschap welhaast niet zijn: als beschermer van het Romeinse Rijk triomfeerde de keizer over diens vijanden, en geen ander dier dan de slang (draco in het Latijn), die ongrijpbare bewoner van de onderwereld, kon symbool staan voor de duistere krachten die het rijk bedreigden. Hoe bekend dit beeld in de late oudheid was, blijkt uit voorstellingen van het oudegyptische verhaal van Horus die de god van het kwaad Seth doodt, waarbij dit thema zowat letterlijk een Romeins jasje kreeg aangemeten. Het beroemdste voorbeeld is een kalkstenen raamwerk uit de vierde eeuw in het Louvre. Het toont de als Romeins soldaat geklede valkengod te paard, terwijl hij zijn tegenstander – voorgesteld als krokodil – doorsteekt. Er is wel verondersteld dat dit thema als voorbeeld diende voor Egyptische ruiterheiligen zoals Sissinos, en zelfs Joris is in dit verband genoemd, maar in feite zijn beide thema’s loten aan dezelfde laatantieke tak.

De vaste plaats die de ruiterheiligen in de vroegchristelijke kunst van Egypte hadden weten te verwerven, blijkt uit de recente ontdekking van wandschilderingen van drie heiligen te paard in Deir al-Surian (het Klooster van de Syriërs), vermoedelijk uit de achtste eeuw. Alleen van Victor is in een bijschrift de naam bewaard gebleven. Aan de voeten van zijn rijdier is een er enigszins hulpeloos bijzittende, gekroonde figuur met een nimbus geplaatst. Dit is Diocle-tianus, de Romeinse keizer die als christenvervolger bij uitstek de geschiedenis is ingegaan. Ten opzichte van de antieke voorbeelden hadden ruiter en slachtoffer nu van plaats gewisseld; in de christelijke optiek was niet de wereldlijke heerser, maar de heilige die de marteldood stierf – de voormalige staatsvijand – de ware overwinnaar.

Theodorus en Joris; zijpanelen van een triptiek, negende-tiende eeuw; Catherinaklooster.

Theodorus en Joris; zijpanelen van een triptiek, negende-tiende eeuw; Catherinaklooster.

In Bawît werd ook de tot nu toe oudste voorstelling van Joris aangetroffen, zij het dat de heilige staande is afgebeeld. Als ruiter komen wij hem voor het eerst tegen op het rechterpaneel van een triptiek in het Katherinaklooster in de Sinaï, dat vermoedelijk uit de negende of tiende eeuw stamt (fig. 2). Met zijn speer verwondt hij echter geen draak, maar een man. In de Koptische literatuur werd zijn tegenstander aangeduid als de Perzische koning Dadianus, en het is misschien deze overigens niet uit historische bronnen bekende figuur die op het paneel is voorgesteld. Op het linker paneel wordt daarentegen wel een draak gedood, maar dan door Theodorus Stratelates. Dit stemt overeen met de verhalen over deze heilige, volgens welke hij aldus de kinderen van een weduwe van de dood redde.

Theodorus en de draak; wandschildering, 1232/33; Antoniusklooster, Egypte, 1232/33.

Theodorus en de draak; wandschildering, 1232/33; Antoniusklooster, Egypte, 1232/33.

Na een periode van relatieve stilte kende het christelijke Midden-Oosten van de elfde tot en met de dertiende eeuw een artistieke bloei. In diverse kerken uit deze tijd werden op de muren ruiterheiligen afgebeeld. Voor wat betreft de draak was er niet veel veranderd. In het gehele oostelijke Middellandsezeegebied was Theodorus de drakendoder, zoals op een schildering uit 1232/33 in de kerk van het Koptische Antoniusklooster (fig. 3), maar de ikonografie van Joris verschilt per regio. In Egypte bestrijdt hij altijd menselijke figuren, bijvoorbeeld Euhius. Deze soldaat probeerde een aan Joris gewijde kerk te vernietigen. Een jood met dezelfde snode intentie kwam er beter van af: Joris bekeerde deze door hem met zijn speer aan te raken. Beide varianten zijn eveneens in het Antoniusklooster terug te vinden. In Libanon en Syrië werd daarentegen de voorkeur gegeven aan een andere, uit Byzantijnse bronnen bekende legende: het slaafje van Mitilini (Lesbos) dat door Joris werd bevrijd op het moment dat hij wijn inschonk voor zijn meester. Het jongetje zit dan achter op het paard, met een schenkkan nog in de hand.

Tegen het einde van de elfde eeuw kwam de eerste kruistocht op gang. Hoewel, of misschien zelfs juist omdat de meeste deelnemers berooid, afgepeigerd en paardloos in het Heilige Land arriveerden, moeten zij al spoedig een diep respect hebben ontwikkeld voor de ruiterheiligen die zij daar geschilderd op muren en ikonen aantroffen en waarover de plaatselijke christenen vertelden. Dit waren nog eens ridders. Zo wilden zij zelf ook zo graag zijn: dappere strijders te paard die de strijd aanbonden met de vijanden van het christendom! Tekenend voor de plots opbloeiende verering van deze heiligen zijn de (latere) verhalen over hun assistentie bij de inname van Antiochië (1098) en Jeruzalem (1099). De hoofdrol was hierbij weggelegd voor Joris, die al spoedig de lieveling van de kruisvaarders werd. Het feit dat Lydda, waar Joris’ relieken werden bewaard, inmiddels ook in hun handen was gevallen, zal mede van invloed zijn geweest op zijn populariteit.

Joris, Theodorus en Joris uit Parijs; ikoon,  dertiende eeuw; Catherinaklooster.

Joris, Theodorus en Joris uit Parijs; ikoon,
dertiende eeuw; Catherinaklooster.

Een prachtig voorbeeld van de Jorisverering door westerlingen in het Oosten is een dertiende-eeuwse ikoon in het Katherinaklooster (fig. 4). Dit stuk moet in een kruisvaarderstaat zijn geschilderd door een westerse artiest die de Byzantijnse stijl en ikonografie nabootste. De ikoon stelt Joris en Theodorus te paard voor, overigens niet in strijd verwikkeld, maar wel met een kruisvaardervlag aan hun lans gebonden. Aan de voeten van de eerste knielt een kleine man die blijkens het bijschrift ene Joris uit Parijs voorstelt. Ongetwijfeld heeft deze naamgenoot de ikoon als gift voor een kerk of klooster meegenomen tijdens zijn pelgrimage door het Midden-Oosten.

‘Constantijn’ en Theodorus; tekening, dertiende eeuw; Augustinermuseum Freiburg.

‘Constantijn’ en Theodorus; tekening, dertiende eeuw; Augustinermuseum Freiburg.

Met de terugkeer van de pelgrims en kruisridders naar hun vaderland kwam nu ook voor Joris de weg naar het Westen definitief vrij te liggen. Nog tijdens de kruisvaarderperiode zou hij de schutspatroon van soldaten, gilden, steden en landen zoals Engeland worden. Vroeg of laat moet ook de ikonografie van Joris als ruiter in Europa zijn doorgedrongen, ongetwijfeld dankzij tekeningen die op oosterse voorbeelden waren gebaseerd. In een vermoedelijk in Venetië vervaardigd handschrift in Freiburg is zo’n schets opgenomen (fig. 5). De compositie doet merkwaardig genoeg sterk aan die van de ikoon van ‘George de Paris’ denken. De twee ruiters worden in het Latijn als Theodorus en Constantijn aangeduid, maar de laatste had natuurlijk Joris moeten heten. In Rome stond het bekende bronzen ruiterbeeld van Marcus Aurelius, en lange tijd verkeerde men in de veronderstelling dat dit Constantijn was. Andere ruitervoorstellingen kende men in het Westen nog nauwelijks en de verwisseling van de beroemde martelaar met de eerste christelijke keizer is dan ook volkomen verklaarbaar vanuit de toenmalige kennis.

Inmiddels moeten wij constateren dat noch in de kunst van de plaatselijke christenen, noch in die van de kruisvaarders in het Midden-Oosten Joris als drakendoder voorkwam, hetgeen doet vermoeden dat er voor de oorsprong van dit thema in een andere richting moet worden gezocht. Zoveel is zeker dat de oudst bekende schriftelijke verwijzingen in westerse handschriften zijn aangetroffen. In een twaalfde-eeuws manuscript in München, de in het Latijn geschreven Codex Monachorum, wordt in de hagiografie van Joris terloops de strijd met de draak vermeld. De betreffende passage zou slechts een prelude zijn op het werk dat de ikonografie van heiligen in het Middeleeuwse westen diepgaand zou beïnvloeden: de Legenda Aurea (Gouden Legende) van de Italiaanse geestelijke Jacobus de Voragine uit omstreeks 1260. In het hoofdstuk over Joris gaat de auteur uitgebreid in op de strijd met de draak en het bevrijden van de prinses. De Voragine situeert de gebeurtenis in Silene in Libië, maar vermoedelijk was hij geïnspireerd door verhalen uit meer naar het oosten gelegen streken.

Byzantijnse schriftelijke bronnen die verwijzen naar het doden van de draak van vóór de
Legenda Aurea zijn niet overgeleverd. Wel zijn er enige vroegere wandschilderingen die dit onderwerp afbeelden behouden gebleven. Het oudst bekende, gedateerde voorbeeld is aanwezig in de Joriskerk van het Russische Staraja Ladoga (1167). Meer op de weg naar het Heilige Land ligt Göreme in Cappadocië, alwaar in de Kerk van de Veertig Martelaren in 1217 zowel Joris als Theodorus werden geschilderd, beiden in het gezelschap van een slangachtige draak. Deze schilderingen vormen een concrete aanwijzing voor het bestaan van de draaklegende in de Byzantijnse context vóór deze dankzij de gegroeide contacten tussen Oost en West op grote schaal bekendheid zou verwerven.

Joris, de draak en het slaafje van Mitilini; Palestijnse ikoon geschilderd door Michael Mhanna al Qudsi, tweede helft van de negentiende eeuw; collectie Antoine Touma.

Joris, de draak en het slaafje van Mitilini; Palestijnse ikoon geschilderd door Michael Mhanna al Qudsi, tweede helft van de negentiende eeuw; collectie Antoine Touma.

Pas lang na het vertrek van de laatste kruisvaarders zou de legende ook in het Midden-Oosten worden geïntroduceerd. Vermoedelijk had dit hooguit slechts zijdelings te maken met de invloed van de Legenda Aurea of de westerse Jorisikonografie. Door de sterke uitbreiding van het Ottomaanse Rijk kwamen alle christenen uit het oostelijke Middellandsezeegebied nu binnen de grenzen hiervan te wonen, en konden heiligenverhalen en de daarvan afgeleide ikonografie gemakkelijker worden uitgewisseld. Vanaf de zeventiende eeuw zouden Palestijnse, Syrische en koptische schilders Joris en de draak op talloze ikonen schilderen, vaak in combinatie met het in het Westen vrijwel onbekende verhaal van het slaafje uit Mitilini (fig. 6). De christenen van het Midden-Oosten verkeren evenwel nog steeds in de veronderstelling dat de drakenlegende een plaatselijke, vroegchristelijke oorsprong heeft. Het gevecht zou zich hebben afgespeeld bij de Baai van Jounieh, ten noorden van Beiroet, maar de oudste teksten waarin hiervan gewag wordt gemaakt zijn niet ouder dan de zestiende eeuw.

Er is nog een probleem op te lossen: hoe kwam het dat Joris op een zeker moment een heldendaad werd toegedicht die eigenlijk voor rekening van Theodorus kwam? Uit de genoemde voorbeelden blijkt dat in het Oosten beiden vaak tezamen werden afgebeeld. Een volkswijsheid wil, dat als mensen lang met elkaar omgaan zij op een gegeven moment op elkaar gaan lijken. Blijkbaar gold dit ook voor heiligen. Wellicht werden Joris en Theodorus zo vaak in een adem genoemd, dat een al dan niet opzettelijk veroorzaakte verwisseling van daden welhaast onvermijdelijk was. Theodorus moet hier niet blij mee zijn geweest. Het was uiteindelijk zijn strijdmakker die met alle eer ging strijken, en kon uitgroeien tot een van de meest bekende en tot de verbeelding sprekende heiligen van de christelijke wereld.

Literatuur:

  • S. Braunfels-Esche, Sankt Georg, München 1976.
  • K.-H. Brune, ‘Der koptische Reiter: Jäger, König, Heiliger: ikonographische und stilistische Untersuchung zu den Reiterdarstellungen im spätantiken Ägypten und die Frage ihres “Volkskunstcharakters”’, Altenberge 1999.
  • L.-A. Hunt, ‘A Woman’s Prayer to Saint Sergius: Interpreting a Thirteenth-Century Icon at Mount Sinai’, in: ‘Byzantium, Eastern Christendom and Islam’. Art at the Crossroads of the Medieval Mediterranean, Vol. II, London 2000, 78-126.
357