Een ikoon als eerbetoon

Een ikoon als eerbetoon

Zr. Hinneni Peltenburg

Op 29 maart 1996 overlijdt mijn moeder. Het is vrijdagmorgen voor Palmzondag. De dagen van afscheid nemen en de begrafenis zijn mede gekleurd door de Goede Week. Af en toe komt bij mij de gedachte op iets te gaan doen met het handwerkmateriaal dat zij heeft nagelaten: klosjes gouddraad, borduurgaren, een schaartje, iets maken waar zij ontroerd door zou zijn geworden en trots op zou kunnen zijn. Ja, borduren, dat was haar grootste hobby. De gedachte aan een liturgisch doek komt bij mij op. Ik weet dat in de Orthodoxe Kerk op Goede Vrijdag een epitaphion wordt gebruikt. Dat is een zeer ontroerend thema, temeer omdat daarop het afscheid nemen van de Geliefde wordt uitgebeeld. Dit had ik van mijn moeder niet op die manier kunnen doen. Wanneer drie jaar later mijn vader overlijdt besluit ik daadwerkelijk met het borduren van een epitaphion te beginnen.

‘Toen Jozef van Arimatea U dood van het kruis genomen had, Gij die de bron van het leven zijt, wikkelde hij U in een linnen doek. Vol eerbied en liefde vereerde hij uw heilig lichaam en in een mengeling van ontzag en vreugde zong hij: ‘Geprezen zijt Gij, omdat Gij hebt willen afdalen tot ons, o menslievende Heer.’ (Een gedeelte uit de Apostichen van de Grote en heilige Vrijdag).

De Metten van de Heilige en Grote Zaterdag – meestal gehouden op de avond van Goede Vrijdag, zodat meer gelovigen er aan kunnen deelnemen – hebben de vorm van een begrafenisdienst voor Christus. De gehele viering vindt plaats rond de Epitaphion (Slavisch: Plasjenitsa), een icoon in de vorm van een geborduurde of beschilderde doek met de afbeelding van de graflegging van Christus. Het belangrijkste thema van deze dienst is niet het rouwen om de dood van Christus, maar een waakzaam vooruit zien. Aan het einde van de Metten volgen de lofpsalmen. Na de Grote Doxologie, gaan de priester met de epitaphion en alle aanwezigen in processie eenmaal rond de kerk, terwijl allen het Trisagion, het drie maal Heilig zingen, net zoals gedaan wordt bij een orthodoxe begrafenisdienst. Daarna wordt het doek op een tafel in het midden van de kerk gelegd ter verering door de gelovigen. Met Pasen wordt het doek op het altaar gelegd voor de viering van de Goddelijke Liturgie.
In maart 2000 ga ik naar Grandchamp, Zwitserland, voor het retraite-traject Tot in onze diepste diepten. Het evangelie ter harte nemen. Mijn verblijf omvat de laatste week van de Veertigdagentijd, de Goede Week en Pasen. Op Goede Vrijdag wordt een viering gehouden rond de epitaphion. Ik zie dat het een op een karton geplakte afbeelding is! Die viering is heel indrukwekkend en ik besef de functie van het doek, hier dan in de vorm van een reproductie. Dit bevestigt mij in mijn keuze om zo’n doek te gaan maken.

Epitaphios is een Grieks woord dat bestaat uit epi “op” of “erop”, en taphos, “graf” of “tombe”. Op de epitaphion staat dus de graflegging van Christus uitgebeeld zoals in het evangelie volgens Johannes (19, 38-42) staat beschreven. Nadat de Heer van het kruis is genomen, wordt zijn lichaam verzorgd voor de begrafenis. Rond zijn dode lichaam kunnen verschillende personen zijn afgebeeld: Jezus&Isquo; moeder, Maria, weeklagende vrouwen waaronder Maria van Magdala, Johannes de geliefde leerling, Jozef van Arimathea, wenende engelen en soms Nicodemus. In de vier hoeken zijn meestal de vier evangelisten te zien. De afbeelding kan zijn geborduurd of geschilderd op doek of op een andere ondergrond, die dan later op een groter doek wordt bevestigd. De kleur van het doek is meestal donkerrood en versierd met gouden franje. Gewoonlijk – maar dat wordt niet altijd gedaan – is het tropaar van die dag in gouden letters rond de afbeelding geborduurd.

In de informatie die ik ter voorbereiding op het maken van een epitaphion verzamelde, valt het verband op dat in de geschiedenis wordt gelegd tussen het uit Edessa afkomstige Mandylion, een doek waarop het gelaat van Christus staat afgedrukt, de Lijkwade van Turijn, en de vele verhalen over de Graal, waarbij ook Jozef van Arimathea geregeld wordt genoemd. Sommige schrijvers betrekken hierbij ook de symboliek en betekenis van de stukjes van het heilig Brood, die tijdens de Goddelijke Liturgie op de pateen worden gerangschikt.
In het prachtige boek Treasures of Mount Athos staat dat in het Byzantium van voor 1204, de schitterende textielen die in de paleisateliers voor Kerk en Hof werden vervaardigd, vaak dienden om de kerk en vooral het altaar mee te versieren. Deze doeken werden speciaal op grote feesten tentoongespreid, of als er hooggeplaatst bezoek kwam. Na de val van Byzantium in 1204, is veel verloren gegegaan en geroofd vanwege het goud, het zilver, de edelstenen. Wat overbleef van het kerkelijke textiel werd in kloosters op de Balkan in veiligheid gebracht. Later, in het Ottomaanse Rijk van de 16e eeuw, zijn de christenen niet vrij. Dat er wel of toch weer werd geborduurd kwam door de vele opdrachten van buiten het Rijk. Voor de orthodoxen die onder de Ottomaanse overheersing leefden waren drie centra belangrijk: de Lavra van de heilige Sabbas in Jeruzalem, het Sint Catharinaklooster op de Sinai en de heilige berg Athos. Het is te danken aan belangrijke en grote handelaren die fortuinen hadden verdiend, de leden van de nieuwe heersende klasse die onder de Ottomanen hoge posten hadden gekregen en de orthodoxe Russische en Roemeense prinsen, die aan de genoemde kloosters geregeld donaties gaven in geld of natura, dat in de sacristien van deze kloosters de prachtigste stukken zijn terecht gekomen.

Uit de bewaarde kerkelijke textiel blijkt dat in de loop van de eeuwen verschillende typen epitaphioi zijn ontstaan onder invloed van theologische en culturele opvattingen. In het kader van dit artikel worden deze verschillen hier alleen in het kort weergegeven.

  1. Alleen het lichaam van Christus met enkele engelen wordt afgebeeld, zoals voorkomt op de oudste bewaard gebleven geborduurde epitaphion van rond 1200 uit Venetië. Deze manier van afbeelden van de graflegging komt het meeste overeen met de afbeelding op het doek dat in een Orthodoxe kerk altijd op het altaar ligt, het antemension. Het ligt gewoonlijk opgevouwen onder het evangelieboek, maar tijdens de Goddelijke Liturgie wordt dit doek door de priester opengevouwen zodat de gewijde gaven erop kunnen worden geplaatst.
  2. De bewening en graflegging buiten de stad Jeruzalem, met op de achtergrond de muren van Jeruzalem
  3. De bewening in een landschap met rotsen en het kruis op de achtergrond
  4. In een graftombe
Zr. Hinneni Peltenburg, Epitaaf, 2010, 160 x 120 cm

Zr. Hinneni Peltenburg, Epitaaf, 2010, 160 x 120 cm

Na ongeveer tien jaar te zijn bezig geweest met de uitvoering ervan, is het doek in de week na Pasen 2010 klaar. Stap voor stap is het tot stand gekomen. Zoals uit de afbeelding blijkt, borduurde ik type C. Ik dank Geert Hüsstege, iconenschilder, omdat hij de voortekening wilde maken, want een goede tekening is de basis. Bij Clementine Standaert, concervatrice van oude kerkelijke textiel, uit Thorn, kon ik geregeld terecht voor advies. Bij de zusters van het Grieks-Orthodoxe klooster Ontslapen van de Moeder Gods te Heusen-Asten was en ben ik welkom. Ik kreeg raad over te gebruiken kleuren en detailtekeningen voor de vorm van het gezicht van de afgebeelde personen. Enkele zusters schilderen immers zelf iconen.
Misschien is het hele project wat groot uitgevallen: 160 x 120 cm. Ook wat de borduurtechniek betreft, realiseer ik mij terdege dat er nog heel veel valt te leren en te verbeteren. Daarom ben ik blij met de cursus iconen borduren en het vervaardigen van kerkelijke textiel in oktober van dit jaar. En toch: wat ik mij had voorgenomen, is volbracht. Het is geworden zoals het is.

Geregeld lees ik dat iconen borduren niet moet worden vergeleken met iconen schilderen, maar eerder met goudsmeedwerk, vooral wanneer gebruik wordt gemaakt van goud- en zilverdraad, parels en dergelijke kostbaarheden. De materialen die ik voor het doek gebruikte zijn: zijden borduurgaren, zijden stof met een zuiver linnen ondergrond. De nimbussen of aureolen rond de hoofden werden gemaakt met opgelegd gouddraad op een ondergrond van brokaat. Het geheel werd uiteindelijk geappliceerd op een puur natuurlijke linnen stof. De rand is van donkerrood fluweel. De kruisen in de vier hoeken zijn applicaties van zijden stof in de kleur van de drie afgebeelde personen en een lichtgroene voor de maakster. Het gehele doek is gevoerd met een stevige donkerrode katoen.

Dat een icoon uitnodigt tot geloofscommunicatie, dat wist ik wel, maar dat dit epitaphion zoveel zou doen aan mensen, dat kon ik niet vermoeden. Het gebeurde allereerst aan mijzelf: nadat de laatste steek was gemaakt en dat draadje werd afgeknipt, was ik het niet meer die nog ergens langer de hand in had. Daar was, vergelijkenderwijs gesproken, iets geboren: de icoon was de zelfstandige aanwezigheid van de Christus, de Moeder Gods, de geliefden. De icoon straalt troost en tederheid uit. In de drie maanden dat dit epitaphion bij mij aan huis werd bezocht, voordat het naar Grandchamp in Zwitserland werd gebracht, werden mensen geraakt, een traan, een zucht een herinnering aan een geliefde overledene ontroering en troost.

Het doek bevindt zich nu in de Protestantse zustergemeenschap van Grandchamp, Zwitserland. Daar hoort het thuis: bij soeur Minke de Vries en haar medezusters, een icoon als eerbetoon.

149