Oosters werk

Oosters werk

Thom Breukel

In 1953 kwamen de paters kapucijnen van het Oosters Werk in ons dorp wonen. Ze hadden lang haar, droegen een baard en hadden een zwarte pij aan, de Russische rjasa. Op hun borst droegen ze een Russisch kruis. Ze werden al snel “Vaders aan de Vliet” genoemd, omdat het in de Russische traditie gewoon is monniken ‘vaders’ te noemen. Ze woonden met z’n vieren in villa Oostvliet aan het Oosteinde. Ook pater Alfred van der Weijer logeerde er, als hij niet in Rome was om het Vaticaans concilie te verslaan voor de radio. Het waren kapucijnen van de Byzantijnse ritus. Dat het kapucijnen waren die Oosters Werk deden kwam door pater Cyrillis Fermont die in 1926, met twee medebroeders, van Rome toestemming had kregen zich de Byzantijnse ritus eigen te maken. Om in Rusland te gaan werken onder de christenen van de Oosters-katholieke kerken, die trouw waren aan Rome. Door het communisme kregen de paters in Rusland geen ´voet aan de grond´ en moesten zij uitwijken naar Nederland, waar zij hun werk onder de gevluchte Russen in Voorburg voortzetten. In villa Oostvliet was een kapel met een prachtige houten vloer en er was een in transparante kleuren opgetrokken iconostase te bewonderen. In die beginjaren was ik missdienaar in de villa en ik herinner mij nog de langdurende liturgie in het Kerk-Slavisch, waar ik geen woord van verstond. Het klooster in de villa heette Pokròf, naar de beschermende sluier van de Moeder Gods. Het werd in 1983 opgeheven. De nu 91- jarige Pater Gabriël Münninghoff was een bewoner van dat klooster. Het werk onder de Oosterse christenen werd voortgezet aan de Raamweg in Den Haag. Maar Pokròf bestaat nóg in de Byzantijnse ritus, in Utrecht, Tilburg, Haarlem, Rotterdam, Delft, Nijmegen, Maastricht, Eindhoven, Den Haag en Amsterdam waar de Goddelijke Liturgie wordt gevierd. Het blad Pokròf, van de katholieke vereniging voor oecumene, geeft informatie over dit Oosters Werk.

Bron: Met kap en koord, mei 2011

78