Redder van de wereld en Pantocrator

Redder van de wereld en Pantocrator

Hinnêni Peltenburg

In de kapel van de Gemeenschap de Hooge Berkt te Bergeijk, hangt een icoon van Christus Pantocrator. Rond Hem komen wij voor onze dagelijkse ochtend- en avonddienst bijeen. Ondanks het feit dat het een mooie icoon is, is het geen gemakkelijke afbeelding: sommigen vinden de rechterhand afstotend, of de blik te streng…
Ook hangt er de tronende Christus: een fresco uit de 12e eeuw, geschilderd door Emmanuel Panselinos, in het Protatonklooster op de berg Athos in Griekenland.

Enkele maanden geleden besloot ik om iconen te leren tekenen als basis voor het borduren van iconen. Van de zuster van het Grieks-orthodoxe klooster Ontslapen van de Moeder Gods te Asten, mocht ik de handleiding van Iōannēs Charilaos Vranos lenen. Als beginneling, zonder tekenervaring, was de eerste opdracht om ogen, mond en neus vele malen afzonderlijk te tekenen aan de hand van de uitleg in het boek. Aldus, door herhaalde oefening zou ik gevoel krijgen voor de verhoudingen van het gelaat. In dit geval ging het om de ogen, de mond en de neus van het gelaat van Christus. Daarna volgden de vele oefeningen met de oren, de baard, de vorm van het hoofd en het haar van Christus. Vranos biedt zijn geduldige, maar vaak terecht aan de resultaten twijfelende leerling onder andere twee afbeeldingen van Christus als oefenmateriaal aan, namelijk: de afbeelding van Christus Pantocrator van Emmanuel Panselinos en de Christus van het Chilanderklooster. Door het bestuderen van de details van beide afbeeldingen van Christus’ gelaat, ben ik onder de indruk gekomen van de uitdrukkingskracht ervan en van de schilder die Christus zo heeft kunnen schilderen. Hieronder volgt een beschrijving van beide iconen, waarbij ik mij beperk tot drie opvallende kenmerken: ten eerste de overeenkomst tussen beide afbeeldingen; ten tweede de hand van de Christus van het Chilanderklooster en ten derde de betekenis van het gebruik van horizontale en verticale lijnen in het gelaat.

Christus bij HinneniPantocrator bij Hinneni

De overeenkomst tussen beide iconen

Uit de aanwijzingen van Vranos blijkt dat de icoon van het Chilanderklooster een spiegelbeeld is van de icoon van Emmanuel Panselinos. Door de afbeelding van Panselinos voor een spiegel te houden, of overgetekend op transparant papier op de andere afbeelding te leggen, kunnen de overeenkomsten worden bestudeerd. In het spiegelbeeld is te zien hoe de Christus van Chilander is geschilderd. De grotere kant van het gelaat is niet rechts van de as van de neus, maar aan de linkerkant ervan. Dit geldt ook voor het licht: dat valt van rechtsboven op Christus. De ogen, de neus en de mond zijn volgens de traditionele iconografie geschilderd. Hieruit blijkt dat de schilder van deze icoon de voorschriften en regels voor het schilderen van iconen goed kende. Zo kon hij deze regels volgens zijn eigen geniale talent gebruiken en interpreteren, waardoor deze icoon nu een handleiding vormt om Christus af te beelden. Het vraagt een uitgebreide studie van de onderliggende voortekening, de penseelstreken en het subtiele gebruik van de kleuren: van proplasma tot en met de oplichtingen, om alle details en overeenkomsten te ontdekken. Door het éne gelaat van Christus van precies de andere kant te zien, blijken zijn kenmerken onveranderd aanwezig, maar wordt mijn blik veranderd. In feite moet ik mijzelf omkeren; het weten omkeren naar ontdekken, naar verwondering, naar worden aangekeken.

De zegenende hand

Het onderste gedeelte van de icoon van het Chilanderklooster bestaat uit een rechthoek, waarin het evangelieboek en de zegenende rechterhand centraal staan. Deze rechthoek met Schrift en Hand vormt de basis van de compositie. De zegenende hand blijkt niet origineel te zijn, maar overgeschilderd. Door wie? Het antwoord van Vranos: “Door een onwetende amateurschilder, die het waagde om de hand over te schilderen in plaats van het origineel te volgen en de hand te repareren? Hij bracht eigen ideeën en correcties aan voor de hele hand. De hand is anders van kleur dan de kleur van de huid van het gezicht en de andere hand. Er zijn geen oplichtingen op de overgeschilderde hand aangebracht, zoals in het gezicht subtiel is gedaan. De hand is echter monumentaal neergezet: er is geprobeerd een beeldhouwwerk na te bootsen met een naturalistische optiek van licht naar schaduwen. De gewrichten van de vingers zijn onnatuurlijk en grof weergegeven. De vingerkootjes zijn vreemde uitsteeksels geworden. Hier zien wij geen transfiguratie, maar misvorming. De vingers eindigen scherp en puntig, met scherpe kromme nagels, die lijken op de klauwen van een roofdier. De nagels van alle vingers zijn precies even groot! Zelfs de nagel van de wijsvinger, waarbij geen nagel dient te worden geschilderd omdat de wijsvinger vanuit de handpalm wordt gezien, zoals ook de duim. Het lijkt of een nieuwe lap stof op een oud kleed is gezet, die ons belet de pracht en de kracht van die zegenende rechterhand van Christus, de Allerhoogste, te beschouwen. Een dergelijke misvorming van een bestaande icoon kon alleen maar mogelijk zijn na de val van Constantinopel, toen in Italië het naturalisme in de kunst op het hoogtepunt was. In Griekenland ging men gebukt onder de heerschappij van de Turken. Ook daar hadden de naturalistische ideeën in de kunst postgevat. Een andere mogelijke uitleg is dat de zegenende hand op de icoon was afgesleten door de veelvuldige verering van de icoon door de monniken van het klooster. De abt van het klooster gaf toen opdracht aan de een of andere iconenschilder om een “nieuwe lap” op het perfecte kleed van deze icoon te zetten.”
Ook hier moet mijn, moet onze blik worden gezuiverd. Het afstotende leidt meestal af van het schone, op deze icoon: van de deemoed en de tederheid van de blik van Christus’ ogen. Wanneer wij echter verder durven kijken, kan dit afstotende in ons compassie en mededogen opwekken. Zoals Hij ons heeft liefgehad, zullen wij ook elkaar liefhebben. Dan wordt Christus echt de Redder van de wereld, door ons heen.

Het gebruik van horizontale en verticale lijnen in het gelaat

Vranos laat zien dat de ogen van de Christus van het Chilanderklooster bijna precies gelijk zijn aan de ogen van Christus die Panselinos schilderde. Wat maakt deze icoon zo sereen en stelt Jezus voor als God-mens? Wat mij in de beschrijving van Vranos treft is dat de schilder in het gelaat gebruik maakt van een samenspel tussen horizontale en verticale lijnen en cirkels, om de soevereiniteit van de Pantocrator en Jezus Christus als Redder van de wereld uit te drukken. Enige kennis van dit lijnenspel en de symboliek ervan helpt mij om de functie van de lijnen in het gelaat van Christus, de God-mens te kunnen lezen.

Ook in de iconografie kan men spreken van levenslijnen; lijnen die voorkomen in de natuur. Elke lijn heeft een eigen functie en drukt iets uit van wat wij in ons eigen leven kunnen ervaren. Zo staat de horizontale lijn voor het aardoppervlak dat ons draagt. Het beweegt niet, maar draagt alles in een kalm en gestaag dragen. Alle verticale lijnen, alle rechtop geplaatste dingen betekenen beweging: ons lichaam, de bomen, de huizen enzovoort, zijn opgericht door middel van moeite en inspanning. Ons opgerichte lichaam staat voor inspanning en zorgen, want wanneer een mens ligt en zijn lichaam zich dus in horizontale positie bevindt, wordt hij rustig en de slaap begeleidt deze horizontale houding. Horizontale lijnen scheppen kalmte, rust en stabiliteit. Verticale lijnen zijn dynamisch, maar een hele lange verticale lijn roept onwankelbare gestrengheid op. Golvende of kronkelende lijnen zijn lyrisch van karakter. Alle gestrengheid is opgeheven: zij stromen zo vrij zoals muziek. De halve cirkel, met de uiteinden naar beneden gericht symboliseert de volheid van de schepping, het heilige, het goddelijke. Het is het firmament dat over de aarde staat. Het is de plaats van de sterren, de heiligen en de engelen, de plaats waar God woont. De halve cirkel met de uiteinden omhoog staat voor de heelheid van de aarde. De aarde reikhalst naar de hemel, naar het hogere. De cirkel betekent oneindigheid.
In grote trekken vallen bij het gebruik van lijnen in gelaat van Christus van het Chilanderklooster allereerst de ogen op. Twee krachtige lijnen ontmoeten elkaar: een verticale en een horizontale. De neus is als een Dorische zuil, waarop de driehoek tussen de wenkbrauwen rust. Deze krachtige verticale lijn ontmoet een aantal horizontale vormen en lijnen: de wenkbrauwen, het fijne lijntje op het bovenste ooglid, de oogleden zelf en de witte lijnen boven de oogleden.

De verticale as van de neus en de horizontale lijnen van de ogen zijn met elkaar in evenwicht. De schilder slaagt er op deze manier in die albeheersende vrede van Christus in het gelaat niet te verstoren door een overdaad aan accentuering. Deze vrede van Christus kan niet door ziekte, pijn, angst en dood, of onze dagelijkse kleine dingen die tegen zitten, worden beïnvloed en verstoord. Dit zegt de iconograaf met de subtiel aangebrachte zwarte en witte horizontale lijntjes rond de ogen. De donkere, volle en ronde vorm van het haar is de omlijsting van de binnenste lichtcirkel in dit gezicht. Het contrast tussen licht en donker dat rond het grote oog is aangebracht, maakt dit oog oneindig krachtig. Het wordt de bron, het centrum, voor alle andere cirkelverhoudingen die zich in het hoofd en de aureool bevinden.
Al deze details zijn belangrijk, want de schilder heeft tot doel het goddelijke aspect zichtbaar te maken, dat van nature niet in vormen kan worden duidelijk gemaakt. De enige manier waarop de Enige geopenbaard kan worden is door transfiguratie: de gedaanteverandering van de menselijke, natuurlijke vormen. De getransfigureerde natuurlijke vormen getuigen van de aanwezigheid van de ‘Vormeloze’. Er is geen andere manier waarop de Onzichtbare zichtbaar kan worden gemaakt.

Aan het einde van dit verhaal klinken – met het gelaat van Christus voor ogen – de woorden uit de brief aan de Filippenzen mij op een nieuwe manier in de oren:

“…hoewel Hij in de gestalte van God was, heeft Hij het niet als roof beschouwd aan God gelijk te zijn, maar heeft Hij Zichzelf ontledigd door de gestalte van een slaaf aan te nemen en aan de mensen gelijk te worden. En in gedaante als een mens bevonden, heeft Hij Zichzelf vernederd en is Hij gehoorzaam geworden, tot de dood.”

Iōannēs Charilaos Vranos. Hē technikē tēs hagiographias. Volume B’. 2001. ISBN 9606312135

413