Maria. Van oermoeder naar moeder Maria

Maria. Van oermoeder naar moeder Maria

In het Museum Catharijneconvent in Utrecht was 10 februari t/m 20 augustus 2017 een expositie te zien die geheel gewijd is aan Maria, de moeder van Christus. Daarin zijn zowel Moeder Gods ikonen als schilderijen uit de westers christelijke traditie opgenomen. Natuurlijk is deze tentoonstelling een must see voor elke liefhebber van ikonen. Daarom hebben we gastconservator Désirée Krikhaar uitgenodigd een toelichting te schrijven bij deze tentoonstelling [red.].

INLEIDING

Maria is de belangrijkste vrouw in het christendom. Zonder haar zou het niet eens bestaan hebben, want zonder haar was Jezus nooit geboren. En toch is er weinig over haar bekend.

Om de geschiedenis en het uitzonderlijke leven van deze opmerkelijke vrouw te schetsen is de informatie in het Nieuwe Testament geenszins toereikend. Slechts 49 keer wordt Maria met name genoemd. En dan voornamelijk ‘in dienst’ van Jezus Christus. Ook haar vele verschijningen over de gehele wereld hebben niet bijgedragen tot een duidelijk beeld van Maria.

Hoogste tijd dus om Maria, een ikoon in de ware zin des woords, voor het voetlicht te brengen.

VAN OERMOEDER NAAR MOEDER MARIA

Een echt beeld begint zich pas af te tekenen door de uiterlijke kenmerken, functie en betekenis van voor-christelijke oermoeders en godinnen te verkennen. Zij representeren vruchtbaarheid, moederschap, liefde, geluk, wijsheid, bescherming, verzorging van het gezin. Rhea, Gaia, Kybele, Demeter/Ceres, Afrodite/Venus, Isis, Tyche/Fortuna zijn de bekendste voorbeelden van godinnen – vrouwen en moeders -, die gunstig worden gestemd en vereerd met processies, bloemen, offers en kaarsen.

In het vroege christendom is de behoefte aan een vrouwelijke, toegankelijke tegenhanger van God en om de moeder van Gods Zoon een gezicht te geven zo groot, dat vele eigenschappen van godinnen door kerkleraren aan Maria worden toegekend.

Deze wereldvrouw neemt de plaats in en taken over van alle godinnen uit de voorafgaande periode. Bij het oecumenische concilie van Efeze in 431 – niet voor niets op de plaats, waar de tgodin Artemis in haar wereldberoemde tempel diep werd vereerd – krijgt Maria de naam Theotokos. ‘Zij die God baarde’ wordt daarmee onderscheiden van alle andere meisjes, die Maria heten. Zij is de enige ‘Moeder Gods’.

Nu ontstaat behoefte aan de invulling van haar levensloop, die tot navolging en inspiratie dient. Apokriefe evangeliën en legendes worden gebruikt: die vullen alle hiaten in haar ‘bijbelse’ leven. Kunstenaars hebben zich dan ook vooral laten leiden door de bijna sprookjesachtige verhalen uit die apokriefen en legendes.

HET EERSTE BEELD

Volgens één zo’n legende schildert de evangelist Lukas haar eerste ikoon. In zijn evangelie schrijft hij het meest uitgebreid over Maria, de Moeder Gods en zo wordt hij al gauw tevens haar ‘beeldbeschrijver’.

Lukas schildert de Moeder Gods Kykkotissa als eerste van drie oer-ikonen. De ikoon is genoemd naar het Kykkos-klooster in het Troödosgebergte op Cyprus. De engel Gabriël reikt hem het paneel aan, dat gemaakt is van de paradijselijke boom van Kennis van Goed en Kwaad.

De Moeder Gods heeft het spelende Kind op haar arm en keert zich naar de schilder. Deze ikoon – zelf aangeraakt door de Moeder Gods, aldus de overlevering – is in bezit van de Byzantijnse keizer Alexios Komnenos (1081-1118) en hangt in het paleis in Constantinopel. Volgens de legende is gouverneur Manuel Boutoumites van Nicosia op Cyprus tijdens een jachtpartij verdwaald. Kluizenaar Jesaja, die in het Troödosgebergte leeft, wil hem de weg niet wijzen, want wereldse zaken interesseren hem niet. Boutoumites straft de kluizenaar op hardhandige wijze en keert terug naar Nicosia. Daar wordt hij ziek. Hij bidt, geneest en ontmoet Jesaja weer. Die kent inmiddels het goddelijke plan: de ikoon van de Moeder Gods moet uit Constantinopel naar Cyprus worden gebracht.

Jesaja en Boutoumites gaan op pad. In Constantinopel wordt de dochter van de keizer door dezelfde ziekte getroffen. ‘Ervaringsdeskundige’ Boutoumites adviseert de keizer de ikoon naar Cyprus te laten overbrengen. De keizer stemt in en zijn dochter is genezen. Maar hij laat stiekem een kopie maken, omdat hij de wonderdoende ikoon zelf wil houden.

De Moeder Gods verschijnt daarop in zijn slaap en spreekt de wens uit weer naar Cyprus te gaan. Daar is zij al eens geweest met Lazarus, die door Christus uit de dood is opgewekt. Lazarus is de eerste bisschop van het Cypriotische Kition. Dus schepen Boutoumites en Jesaja met de ikoon in en zetten koers naar Cyprus.

Bij aankomst wordt de ikoon langs een pad van buigende bomen naar het Troödosgebergte gebracht. De ikoon krijgt in het Kykkos-klooster, dat Alexios heeft gesticht, een plaats in de ikonostase. Het ene wonder na het andere geschiedt door de tussenkomst van de Koningin van Kykkos. Op de ikoon is de Moeder Gods dan ook altijd gekroond. De talloze kopieën van de Kykkotissa zijn net zo wonderdoend als het origineel.

In deze ikoon liggen alle uiterlijk kenmerken van de Moeder Gods voor de oost-christelijke iconografie vast. Zij wordt gemodelleerd naar voorbeeld van de Byzantijnse keizerinnen. Van het kostbare purperen gewaad en de keizerlijke versierselen, die de symbolische betekenis van de Drie-eenheid krijgen, wordt in de oost-christelijke traditie niet afgeweken.

OOST EN WEST

In de tentoonstelling worden de hoofdtypen van de iconografie van Oost en West tegenover elkaar geplaatst. Dan wordt in één oogopslag duidelijk dat het beeld van de Moeder Gods door alle tijden en in alle regionen in het Oosten onveranderlijk is en dat het beeld van Maria in het Westen allerminst vaststaat.

Zoals bekend ‘beperken’ ikonen zich tot het platte vlak. Dat is na de grote beeldenstrijd in de 8e en 9e eeuw vastgelegd. Gestaltes van heiligen – de heiligen zelf –  en feesten zijn onveranderlijk, evenals naamtekens en titels. De ikonenschrijvers zijn ‘slechts’ een instrument van God, hun eigen inbreng of talenten zijn ondergeschikt. Als de ikoon al een naam van de schepper draagt is dat ‘door de hand van Gods dienaar’. En alle materialen moeten door God gegeven zijn.

In het Westen, dat al eeuwenlang een eigen koers vaart – mede gebaseerd op de Romeinse culturele erfenis – gelden al deze oorspronkelijk Byzantijnse voorschriften niet. Driedimensionale beelden zijn geoorloofd. Kunstenaars leggen hun eigen interpretaties in hun scheppingen, passen deze aan de mode van de tijd of de plaats van hun ontstaan aan, en, trots als zij zijn,  voegen zij hun eigen naam toe aan hun creaties. Boud (!) gesteld is kerkelijke kunst in het Westen ook een creatieve uiting.

Dat wordt bijvoorbeeld aanschouwelijk gemaakt bij de ikoon van de Moeder Gods van de Tederheid, de Vladimirskaja enerzijds en Maria met kind uit het atelier van Adriaen Isenbrant anderzijds. De Russische ikoon toont de in purper gehulde Moeder Gods met haar kind. Hoewel zij elkaars wangen raken, is er toch enige afstand. Door een inmiddels verdwenen bekleding is de ei-tempera van de achtergrond verloren gegaan, maar daar hebben ongetwijfeld de naamtekens voor Moeder Gods en Jezus Christus naast de hoofden gestaan.

De ‘westerse’ moeder daarentegen is een jonge vrouw met loshangende haren en het hoofd bekleed met een voile. Misschien heeft een meisje uit de omgeving van de schilder wel model gestaan. De achtergrond lijkt ook op een min of meer realistische weergave van een landschap met kasteel en hofstede. En het kind is volledig naakt! Het uitdrukkelijk weergeven van zijn menszijn is alleen in het Westen mogelijk.

MARIA IS VAN IEDEREEN

In het vervolg van de expositie rijgt het leven van Maria zich als een parelsnoer aaneen. De overleveringen uit de Bijbel, apokriefen en legendes zijn als uitgangspunt voor een chronologisch verhaal door elkaar gevlochten en tonen aan de hand van oude, moderne én hedendaagse kunst het boeiende leven van Maria. Daarin duiken steeds weer de overeenkomsten en tegenstellingen tussen de west- en de oost-christelijke iconografie op.

Ook in de Koran komt Maria (Maryam) uitvoerig aan bod.

De ikoon van de Intrede van de Moeder Gods in de Tempel is niet alleen een getrouwe illustratie bij de tekst uit het Proto-evangelie van Jakobus, maar ook in de derde Soera in de Koran is deze episode uit het leven van Maryam beschreven. De ouders Anna en Joachim brengen hun drie-jarige dochter naar de tempel. Priester Zacharias (in de Koran Zakariyya) ontvangt haar. Zij neemt haar intrek in een kamer, waar zij negen jaar zal verblijven. Gedurende die jaren wordt zij dagelijks door een engel gevoed. Dat is op de ikoon rechtsboven in beeld gebracht: de engel vliegt met de goddelijke spijzen naar de Moeder Gods, die onder een baldakijn zit. In veel moskeeën staat de Koran-tekst over deze opmerkelijke verzorging in de nis die de gebedsrichting naar Mekka aangeeft: ’Telkens, wanneer Zakariyya bij haar binnentrad in de kamer, vond hij levensonderhoud aan haar zijde.’

Aan het einde van haar leven ontslaapt de Moeder Gods en stijgt Maria met lichaam en ziel op naar de hemel. Niet alleen de theologische interpretatie van deze gebeurtenis, maar ook de beeldtraditie die erbij hoort wordt inzichtelijk gemaakt in de vergelijking tussen de ikoon uit Petersburg, die het einde van de Moeder Gods als in een stripverhaal conform de richtlijnen vertelt, en de ets van Rembrandt. De laatste verplaatst het sterfbed van Maria naar zijn eigen tijd. Niet voor niets is hij de schilder die zijn schilderijen, tekeningen en etsen ‘naer ‘t leven’ vorm geeft, wat een ikonenschrijver zeker niet geoorloofd is [?red]. Zoals de twee werken uit twee verschillende werelden naast elkaar staan, behoeven zij eigenlijk nauwelijks uitleg.

De expositie vertelt niet alleen het verhaal van Maria en haar voorgangsters, maar ook en vooral wat ‘wij’ met haar doen en beleven. Devotie, bedevaarten en processies nemen een belangrijke plaats in in het leven van ‘ons mensen’. En de betekenis van Maria, de moeder van ons allemaal, reikt tot de dag van vandaag. Zij inspireert nog altijd.

(Auteur: Désirée Krikhaar)

91