De kleuren geel en goud

De kleuren geel en goud

Het Franse Roussillon is een belangrijke vindplaats van ruim 250 kleuren oker. (foto: website getyourguide.nl)

In dit tweede deel van de serie over kleuren en het gebruik ervan in de icoonschilderkunst wil ik het graag hebben over de kleuren geel en goud.

GEEL
Iconografisch gezien staat geel voor het christelijk licht. Het is een van de belangrijkste kleuren in het spectrum. In de chromatische rangorde volgt het onmiddellijk op wit. In het algemeen heeft geel een warme, aangename tint en is de meest aangewezen kleur om lichteffecten weer te geven alsook een warme tonaliteit, als het met rood wordt gemengd. Geel is verwant aan het zonlicht, het oog wordt verrukt en het gemoed opgevrolijkt. Warmte en opgewektheid schijnt ons tegemoet te stromen, er is geen opdringerigheid, maar vrijgevige vreugde. Bescheiden, teder, soms vurig en lichtend, maar soms ook doortastend komt het geel ons neutraal tegemoet. Bij de mens is geel verbonden met het gebied rond de navel: het gebied van de warme en de koude gevoelens. Net als de zon verdeelt dit centrum zijn energie over alle centra van het menselijk lichaam. Hier zit dan ook onze drievoudige verwarmer. Het heeft ook te maken met vergeving en daardoor de harmonisering van de tegenpolen, het mannelijke en het vrouwelijke in ons. De heilige Franciscus van Assisi verwoordde het al op deze wijze: “Wie niet kan vergeven, mist een van de grootste vreugden in het leven.”
“O, vonk van God die ons begroet. Als vuur van oorsprong in ons woedt. Verwarm ons lijf, zin, kracht en geest. Gij die van kwalen ons geneest.” (uit: Hymne van de Wijsheid Gods)

OKER
Oker is wellicht het meest bekende geel en een van de oudste verfstoffen. Er zijn talrijke soorten oker: ijzer-, soms ook kalkhoudende, kleiachtige aarden. In dat laatste geval worden zij kalkokers genoemd; deze zijn over het algemeen magerder en minder goed dan de eigenlijke klei-okers. Een bijzonder schoon pigment is de goudoker. Deze is meer lichtend dan de andere diverse okersoorten. Daarvan zijn er vele varianten: blanke oker, goudoker, goudoker licht, bruine oker, citroenoker, donkere en rode oker. Rode oker wordt verkregen door het branden of de verhitting van alle hiervoor genoemde okers. De gele okers zijn een verweringsproduct van ijzererts en veldspaat en ze bevatten allerlei producten, zoals klei, kiezelzuren en kaliumzouten. Het wordt in de natuur aangetroffen in Duitsland, Frankrijk, Italië, Engeland en Rusland. Elk land heeft zo zijn eigen specifieke kleurkarakter. Soms ligt de oker aan de oppervlakte en wordt het in dagbouw afgegraven, geslibd en gemalen. Slibben is de oker oplossen in water en daarna enige tijd laten bezinken. De fijnere of lichte deeltjes worden gescheiden van de grovere en zwaardere deeltjes, die bezinken. De gekleurde vloeistof wordt afgegoten en kan opnieuw voor het slibben worden gebruikt. Dit slibben kan enkele malen worden herhaald, zodat het bezinksel steeds fijner wordt.
(In kader)
De naam oker is afkomstig uit het Oudgrieks,
waar dit pigment ōchra wordt genoemd.

In Roussilion in Frankrijk, een enorm belangrijke vindplaats van ruim 250 kleuren oker, liet men tijdens het natte jaargetijde de geslibde oker afvloeien in uitgegraven terrassen. In de zomer, wanneer de terrassen waren opgedroogd, werd de oker verzameld. De meeste okers hebben een zeer goede lichtechtheid en verdonkeren niet. Soms wordt de oker gevonden in kalkhoudende kleiachtige aarde; in dat geval worden zij kalkokers genoemd. Met name de Franse okers worden, op gezag van de ‘Société des Ocres’, gecodeerd aangeleverd met de volgende letters:

J = jaune = geel
S = supérieur = een na hoogste kwaliteit
ES = extra supérieur = topkwaliteit
C = citron = citroengele ondertoon
O = or = goudgele ondertoon
F = foncé = donker
R = rouge = roodachtig
M = moyen = lichtrode ondertoon
L = lavé = geslibd
T = très lavé = extra geslibd

Terra de Siena of Siena naturel is een natuurlijke aarde uit Italië. Van oudsher wordt het pigment gevonden in de omgeving van de plaats Siena. Het is als een okerpigment te beschouwen en wordt ook gevonden in Duitsland en Spanje. De gele kleur is ontstaan door de vermenging van diverse ijzerverbindingen (25 tot 70 procent) en mangaan (0,5 tot 1,5 procent). Het wordt als brokken in dagbouw gewonnen. De dekkracht van siena is minder dan die van oker; wel is het kleurgevende vermogen sterk en de lichtechtheid zeer hoog. Het is een geliefde kleur in tempera-, olie- en aquarelverf en ook in pastellen.
Cadmiumgeel is een zinkcarbonaat met een gehalte cadmium. Het komt sporadisch in de aardkorst voor en de naam is afgeleid van de Griekse plaats Kadmeia. In de oudheid stond dit pigment bekend als ‘aarde van Kadmeia’. Halverwege de 19e eeuw werd het pigment fabrieksmatig vervaardigd. Om roestvorming te voorkomen werd het aangebracht op metalen.
Chromaatgeel is een kleurpigment dat ontstaan is uit een verbinding van chroomloodoxide. Dit pigment is licht giftig. De kleur kan variëren van citroengeel tot zwavelgeel tot hoog oranje en rood, dit naargelang de wijze van bereiding. Het is een krachtig, goed dekkend pigment dat zich prima laat mengen met andere pigmenten. Veelal wordt dit gedaan met kleine en grote hoeveelheden zwaarspaat en gips. Zulke mengsels worden onder vele fantasienamen in de handel gebracht. Zo kent men onder meer: nieuw geel, Parijs geel, koningsgeel, Gothasch, Keuls geel, Leipziger geel en Zwickauer geel. Er worden mengsels in de handel gebracht waarin nog geen 10 procent chroomzure loodoxide voorhanden is en die toch, met Berlijns blauw vermengd, nog heldere groene kleuren leveren.
.

In het schilderij ‘Muziek in de Jardin des Tuileries’ van Édouard Manet is Napels geel gebruikt. (Foto van meisterdrucke.nl)

Napels geel is een pigment gemaakt van chroom antimoon titanaat en kan worden gebruikt voor de lichtpartijen in de vleesdelen.
Nikkeltitaangeel is, zoals de naam al aangeeft, een nikkeltitaanverbinding en kan voor achtergronden worden gebruikt. Hansageel is een helder, geel pigment, gemaakt van aardolie en/of steenkool.
Oxidgeel is een synthetische gele oker en bevat ijzeroxide. Het is ook een heel mooi pigment om de vleesdelen in het licht te zetten.

GOUD
Strikt genomen is goud geen kleur. Iconografisch gezien staat het voor de goddelijke zon, het hemelse licht en de weerkaatsing van de goddelijke afglans. De Egyptenaren noemden goud ‘het lichaam van de zon’. In de icoonschilderkunst wordt al vele eeuwen bladgoud gebruikt. Goud weerkaatst het licht perfect. Zelfs in een schemerige ruimte kan een enkele kaarsvlam, weerspiegeld in het goud van iconen, de ruimte verlichten.
In de icoonschilderkunst wordt gebruik gemaakt van bladgoud en poedergoud. Er wordt onderscheid gemaakt tussen transferbladgoud en ‘los’ bladgoud op vloei. Dit bladgoud wordt ‘los’ genoemd omdat de velletjes los tussen het vloeipapier in het boekje liggen. Om dit bladgoud te verwerken is een aantal speciale gereedschappen nodig, zoals een bladgoudkussen, een bladgoudmes en een goudoplegger.
Transferbladgoud zit op de velletjes vloeipapier geperst. Deze blaadjes kunnen zo vanaf het vloeipapier op de plank geplakt worden, nadat deze is ingesmeerd met een speciale goudlijm (zie ook het artikel van Marjan Smit in dit nummer). Het is verkrijgbaar in diverse vele kleuren en diktes.

Vissengoud is een goudkleurig pigment en bestaat voor 33 tot 60 procent uit mica en voor 17 tot 43 procent uit titaanoxide. Het is te koop in verschillende kleuren. Vissengoud solar is vier keer fijner vermalen en is een prima en goedkope vervanger voor bladgoud en goudpoeder. Het vissengoud royal, de olympic en brons zijn iets donkerder door de toevoeging van ijzeroxide (5 tot 39 procent) en zwavel (0 tot 1 procent). Vissengoud laat zich heel goed mengen met eigeel en andere kleuren en wordt gebruikt voor goudassist op de mantelpartijen, de clavus en de zoom van de maphorion. Verder is het vissengoud in diverse donkerder tinten verkrijgbaar tot aan bronsachtig toe.

Bronnen:
Gino Piva, Schildersvademecum (Cantecleer, De Bilt, 1982)
M. J. J. de Koning en W. C. de Man, Kleurenleer (Kluwer, 1965)
Prof. J. A. van der Kloes en D. van der Beek, Handleiding voor den verver (L. J. Veen, 1928)
Simon Koopman, Verf maken (In eigen beheer, 1e druk 2003)
Johan Stahlecker, Kunstschildersverven en hun bereiding (Cantecleer, 1992).

Voor meer info: www.simonkoopman.nl

Simon Koopman

215