Ikonen algemeen
Ikoon geschiedenis
Over de stichting
Schildercursussen
Exposities
Links
Lexikon
HOME
Agenda
Archief
Doen of laten?
HOME
Aanmelden
E-mail ons
Gastenboek
HOME
Alle Rubrieken
Gevraagd of aangeboden
Ikonen algemeen
HOME

Bulletin: Het archief: Athos, wandelingen in de tuin van de heilige maagd - Deel 2

Athos, wandelingen in de tuin van de Heilige Maagd
Reisverslag naar Athos

Het is alsof ik met de tijdmachine terug naar de Middeleeuwen ben gereisd. Hier wordt nog steeds vastgehouden aan de Juliaanse kalender, die in het westen al in de 16e eeuw is afgeschaft. Ik ben hier dus 13 dagen jonger dan ëin de wereldí. Ook de uren zijn anders: in de meeste kloosters wijst de klok de Byzantijnse tijd aan. Ik zal me moeten aanpassen aan een ander ritme. De nieuwe dag begint hier bij zonsondergang. Onthaasting is hier een onnodig begrip. Tot voor kort was het muildier hier het enige transportmiddel. In de paar dagen dat ik op Athos was heb ik bij elkaar vier automobielen gezien. Een verademing!

Het bouwvallige hoofdplaatsje groeide rondom de oudste kerk van Athos, het ruim duizend jaar oude Protaton, en het stadje lijkt groter dan het is, omdat het zich uitstrekt tussen de ravijnen in de omgeving. In de dorpsstraat vind je de werkplaatsjes van zadelmakers, kleer- en schoenmakers, die voor de kloosters werken, en een paar winkeltjes. Naast het Protaton verheft zich het ëregeringsgebouwí, het paleis van 'de Heilige Gemeente'. In de omgeving liggen nog wat vervallen huisjes, maar ook goed onderhouden kellia (een soort monnikenboerderijen met kapelletje) en de konakia, de gezantschappen van de kloosters. Oorspronkelijk heette het stadje Messi, 'het Midden', vanwege de centrale ligging; maar aan het eind van de tiende eeuw kreeg het de naam Karyes, 'Hazelaars', dankzij de vele hazelnootboomgaarden.

In het begin van de tiende eeuw besloten de, over het gehele schiereiland levende, monniken een gemeenschappelijke 'overste', een Protos te kiezen, en aan hem, ondersteund door een groep oudere monniken, bestuursfuncties in handen te geven. Hier stichtte de Protos zijn kerk, het Protaton.

Ik bestijg de marmeren trappen van het paleis van de Heilige Epistasia om volgens de voorschriften mijn diamonitirion te tonen. Ik tref daar nog enkele pelgrims, en maak er kennis met twee Duitse heren. De Epistasia is een comité van vier gerespecteerde monniken, gekozen uit de Heilige Gemeente, dat het dagelijks bestuur van Athos uitoefent. Ieder van de vier leden bezit een vierde deel van het stempel dat mijn diamonitirion siert. Verder staat er een afbeelding op van de Heilige Berg, met erboven zwevend de Panhagia, de Heilige Maagd, die haar beschermende mantel uitgespreid houdt over haar tuin.

De controle van de verblijfspas blijkt een formaliteit. Ik zet mín rugzak in het enige eethuisje van 't schiereiland en wandel naar de skite Agios Andreou. De poort zit op slot, straks om vier uur is het 'bezoektijd'. Terug naar Karyes. Ook het Protaton is op slot. Ik treed in de voetsporen van Sydney Loch: 'Ik begeef mij naar het Koutloumousiou-klooster, tien minuten verderop. De landweg slingert bergafwaarts, langs één van de hazelaarbossen waar Karyes zín naam aan heeft te danken.'

Waar komt de naam Koutloumousiou eigenlijk vandaan? De naamgeving van de meeste kloosters ligt in een grijs verleden. Vaak zijn er verschillende verklaringen voor de oude namen. Voor dit klooster is de betekenis duidelijk: het werd in de twaalfde eeuw gesticht door een Turkse prins, die tot het christendom werd bekeerd, uit de familie der Koutloumous.

Het klooster is gewijd aan de Verheerlijking van Christus op de berg Thabor.

Voor de toegangspoort van het klooster is een waterput die zorgt voor fris bronwater. Vanaf dit punt heb je een prachtig vergezicht tot de Egeïsche zee. Ik ga de poort binnen en kom op de binnenplaats. Opvallend is de dieprode katholikon, de kloosterkerk. Een aardige lekenbroeder, die wat Duits spreekt, komt me tegemoet en biedt me bij wijze van welkom een glaasje ouzo aan, een naar anijs smakend distillaat. Of ik ook koffie lust. Hij maakt een halfzoete Griekse koffie voor me klaar en zet er een glas water en wat loukoumi bij, een zoete lekkernij, bij ons beter bekend als Turks fruit. Dan komt de abt binnen. Hij keurt mín papieren, die blijken in orde. De regels worden hier op Athos nauwkeurig in acht genomen. Begrijpelijk, want elk klooster is een waar museum vol met geestelijke, historische en materiële schatten. De instandhouding van die Byzantijnse erfenis brengt een grote verantwoordelijkheid met zich mee. Daarom zit alles achter slot en grendel. De pelgrim wordt altijd door monniken vergezeld wanneer hij de kerk binnengaat of de kloosterschatten bezichtigt. De lekenbroeder wijst me mín kamer, twee trappen naar boven op de galerij. Het is een sobere tweepersoonscel, dus er komt misschien nog een pelgrim bij. 'Om vijf uur kerk, om zes uur eten; niet roken, geen GSM, niet fotograferen' voegt de lekenbroeder me toe in de deuropening.

Ik ga nog even terug naar de Russische skite van Andreas, een omvangrijk complex met een aantal imposante gebouwen. De architectuur van de facade doet denken aan een paleis. Vandaar de bijnaam 'Serail' zoals de skite in de volksmond ook wel heet. Er staan nog drie mannen te wachten, het blijken Nederlanders. Zij zijn gearriveerd vanuit het Vatopedi-klooster. één van hen is geograaf en in Vatopedi hebben ze het voorrecht gehad een zeer bijzondere codex te mogen bekijken: de 'Geographik' Huphegesisí van Ptolemeus, met 42 gekleurde landkaarten, de oudste kopie van deze atlas met het klassieke wereldbeeld.

We moeten nog even wachten tot de poort wordt geopend en we bekijken de enorme gevels. Het achterstallig onderhoud geeft een trieste aanblik.

Ondanks de grootsheid van dit complex is het geen klooster maar een skite, omdat de eeuwenoude wetten niet toestonden dat er buiten de twintig erkende, nog een klooster werd gevestigd.

Vroeger was hier een ikonenschool. Nu zorgen drie Russische monniken voor dit enorme complex. We worden ontvangen door één van hen, een stokoude grijsaard. Eens moeten hier zevenhonderd Russische monniken hebben gewoond in de kazerne-achtige gebouwen rondom de binnenhof. Daar staan nu de geruïneerde kerken en kapellen.

De oude monnik opent voor ons de hoofdkerk, waar, naast vele andere schatten, ook de relikwieën van de Heilige Andreas worden bewaard. Dit vervallen gebouw is een van de grootste kerken die er op Grieks grondgebied bestaan. Met haar groene koepels en gouden kruisen torent zij hoog boven deze desolate nederzetting uit. Architectonische schoonheid heeft dit gebouw niet. Ook de muurschilderingen en ikonen kunnen mij niet bekoren. Ze zijn geschilderd in de zoetelijk Russisch-Italiaanse stijl van de negentiende eeuw. De oude monnik in zín sleetse zwarte habijt leidt ons rond, stil, bijna zonder woorden. Achterin de kerk krijgen wij de schedel van de heilige Andreas te zien. De Russen vereren Andreas als hun speciale apostel. Zijn relieken zijn in 357 overgebracht naar Byzantium. Zijn schedel bevond zich sinds 1462 in Rome en is door paus Paulus VI teruggegeven aan de Orthodoxe Kerk.

Je vraagt je soms af wat je aanmoet met zulke relieken. Zou het allemaal echt zijn? Heel oud en heel legendarisch is het in ieder geval wel. En wanneer je dan de schedel van de apostel Andreas, de broer van Petrus, te zien krijgt, heb je toch het gevoel dat je in contact komt met de bron van het christelijk geloof.

Voor mij is het dan tijd om snel terug te gaan naar het klooster, want de vesper begint. En inderdaad, één van de tien monniken van Koutloumousiou slaat al op de semantron, een lange harde houten plank, een soort alarmpeddel. Driemaal loopt hij zo om de kloosterkerk. 'Als een Noach roept hij ons op de geestelijke ark binnen te treden om aldus gered te worden van de vloed der zonden, waaronder de gehele wereld dreigt bedolven te worden' (Theunissen). Het katholikon doet mij ook denken aan een tabernakel. Vooraan is de exo-narthex, gewoonlijk de plek voor de niet-orthodoxen. Dan volgt de eso-narthex of lite, een soort 'voorhof'. Ik mag daar plaatsnemen in een zogenaamde stadisia. De zitbank is smal en vrij hoog aangebracht. Je legt je armen op de zijleuningen en zo houd je jezelf staand, hangend, zittend overeind. Ik kijk in de naos, 'het heilige', wanneer een monnik het 'voorhangsel' heeft weggetrokken. Ze steken kaarsen aan en lopen druk heen en weer. Er komen nog wat verlate orthodoxe pelgrims binnen. De abt zegt gebeden en brandt wierook. Dan hoor ik ze achter de ikonostase (templon), in het sanctuarium, 'het heiligste', de gezangen van de dag zingen. Wonderlijke muziek. Een tonenreeks die net afwijkt van wat wij in het westen gewend zijn. De stem van de voorzanger klinkt melancholiek, als een treurpsalm. Het doet exotisch, bijna Joods aan.

Om kwart voor zes wordt er aan de bel getrokken: een rondje van het klooster, etenstijd. Ik word - als niet-orthodox - apart neergezet, in de grote stenen keuken. Het stalen vaatwerk maakt het extra kil. Het menu: op een schaaltje liggen wat koude bloemkoolstrookjes in olie met een citroen; op een ander schaaltje een soort koude lasagna met kaas; een houten schaaltje met zes stukken oud brood; zout, een kan en mok met bronwater en een sinaasappel. In de trapeza (refter of eetzaal) naast mij zitten de orthodoxen. Door het van de tocht wapperende gordijn hoor ik dat één van de monniken - uiteraard in 't Grieks - voorleest uit teksten van de oude kerkvaders, zoals gebruikelijk is. Zelfs wanneer het geen vastendag is, is het voedsel in de kloosters uiterst sober. Vlees eten is er in geen geval bij.

Koutloumousiou is een zogenaamd koinobitisch klooster.
In zo'n klooster is absolute gehoorzaamheid aan de hegoumenos, de abt, verschuldigd. Hij wordt voor het leven gekozen door een vergadering van alle monniken die minstens zes jaar in 't klooster zijn. De kandidaat moet minstens 40 jaar zijn, en gestudeerd hebben. Spiritueel is hij de absolute leider, maar voor de administratieve leiding wordt hij bijgestaan door twee of drie vertrouwelingen (epitropi) die door alle monniken worden gekozen, of ook wel door enkele seniormonniken (gerontia). Het klooster zorgt voor de bezittingen, kleding, en voeding, en de maaltijden worden gemeenschappelijk gehouden. Tot voor kort waren er op Athos ook zogenaamde idiorhythmische kloosters. In zoín klooster was er meer persoonlijke vrijheid voor de monniken. Ze behielden hun persoonlijke eigendommen en aten in hun eigen cel, vaak een woning met twee of drie kamers. De koinobitische gemeenschap is dus strenger, een soort democratische dictatuur zou je kunnen zeggen. De nog jonge abt van Koutloumousiou komt op mij eerlijk gezegd vrij autoritair over. De twaalf monniken hebben maar te doen wat hij zegt en dat is heel wat, want er is veel werk te doen binnen en buiten de kloostermuren.

Na het eten ga ik naar mín kamer en schrijf in mín dagboek. Even later komt er een oude man de kamer binnen. Hij spreekt een beetje Duits en stelt zich voor als Jorro. Hij vertelt dat ie 73 is, afkomstig van het eiland Thassos en vroeger visser is geweest. Hij is erg geïnteresseerd in mín zaklampje. Of ik hem wil verkopen. Toch maar niet, die komt me nog wel van pas. Even later ligt Jorro al te knorren.

7 mei

Toen ik vanmorgen merkte dat Jorro - als Grieks orthodox - lekker bleef uitslapen, heb ik dat ook maar gedaan. Om half acht bedankt en afscheid genomen. Ik loop naar Karyes en zie bij het Protaton een twaalftal jonge Grieken staan.

Het Protaton is de hoofdkerk van Athos. Het sobere gebouw staat geïsoleerd op het centrale plein. Het is een van de oudst bewaarde monumenten van de Heilige Berg en heeft zijn huidige vorm gekregen in de tiende eeuw. Het is op Athos de enige kerk met een basilicavorm en dankt zijn grote faam aan de muurschilderingen die het interieur sieren.

De Grieken staan kennelijk te wachten op de monnik die er even later aankomt met de sleutel en ons door de bescheiden toegangspoort voorgaat in het betoverende interieur van deze kerk. Mijn medepelgrims blijken studenten te zijn, met hun docent. Helaas kan ik zijn uitleg niet verstaan maar ik ben blij dat ik nu in de gelegenheid ben het interieur te bekijken.

De kerk heeft buitengewoon fraaie muurschilderingen van de Macedonische school. Voor een deel zijn ze toegeschreven aan Emanuel Panselinos van Salonika, begin veertiende eeuw, wiens faam en invloed bijna al zijn werk heeft overleefd.

Inderdaad werd Panselinos reeds in zijn eigen tijd zeer geroemd. Hij werd beschouwd als een held, en zelfs hoger geacht dan legendarische asceten. Wat mijzelf betreft doet hij niet onder voor zijn westerse tijdgenoot Giotto. Over ëHeer Manouilí is weinig meer bekend dan dat hij afkomstig was uit Thessaloniki. Zijn werk, dat hier alle muren bedekt, staat vanzelfsprekend in de traditie, zelfs tot het klassieke Hellenisme, maar heeft toch een eigen stijl. Bijzonder treffend is de voorstelling van de 'liggende Christus-Emmanuel', zoals je die hier op Athos vaker aantreft in de naos, boven de ingang. De wat melancholieke blik in de ogen van de jongen is des te ontroerender, omdat tegenover Hem op de ikonostase een grote Crucifix is geplaatst.

Ons wordt zelfs toegestaan het sanctuarium achter het templon binnen te gaan. Daar zie ik de legendarische Axion Esti, een thaumaturgische, ëwonderdoendeí ikoon, daterend uit de tiende eeuw. De Moeder Gods is voorgesteld met het Jezuskind op de rechterarm. Het gelaat van Moeder en Kind is nog maar vaag zichtbaar, door eeuwenlange bewieroking en kaarsengloed zijn de kleuren verdonkerd. De rest van de schildering is verborgen onder een rijk versierd zilveren beslag, waarop de kleding in reliëf is afgebeeld.

Elk jaar in de week voor Pasen wordt deze ikoon in de naos, het schip, van de kerk geplaatst, voor het ceremoniÎle bezoek aan Koutloumousiou. De indrukwekkende processie zet zich in beweging op Paasmaandag na de liturgie, geleid door een monnik met een semantron, een priester met het kruis en dragers van kaarsen op manshoge kandelaars. Politie-agenten dragen de nationale vlag, en deze majestueus stappende mannen worden gevolgd door een menigte geestelijken in vol ornaat en monniken in hun zwarte habijt, zich een weg banend door de nauwe straat, de ikoon van de Axion Estin meedragend onder een sierlijk baldakijn.

Koffie in 't restaurantje. In het postkantoortje koop ik een telefoonkaart en zo sta ik om 9.00 uur met Lia te bellen.

Naast het postkantoor staat het huisje waar eens Dionysios van Fourna moet hebben gewoond. Deze Dionysios, de ëzeer eerwaarde onder monniken en meesterschildersí zoals hij door zijn tijdgenoten in het begin van de 18e eeuw wordt genoemd, is vooral beroemd als de auteur van de Hermeneia, het schildershandboek. Zelf duidt hij zich aan als ëde onwaardigste aller schildersí en zegt hij slechts de raad op te volgen van zijn voorganger Panselinos. Waarschijnlijk heeft hij ook gebruik gemaakt van het schildersboek van de 17e eeuwse monnik Daniel van het Chilandar-klooster.

Door op de heerlijke geur af te gaan vind ik de enige bakkerij van Karyes. Direct uit de oven kan ik een paar pasteitjes kopen. Dat wordt mijn lunch voor vandaag. Tegen half tien vertrek ik te voet naar Stavronikita. Ik zal wel zien of daar een boot aanlegt die mij naar de Grote Lavra kan brengen.

Gebruikte literatuur:

Sydney Loch: ATHOS The Holy Mountain / Librairie Molho, Thessaloniki, 1957/1974
Dr.W.P.Theunissen: OP DE HEILIGE BERG ATHOS Servire, 1965
Y.Theotokas: REISVERSLAG VAN ATHOS Styx, (1960)1990
Lonely Planet Guide Greece
A PILGRIMíS GUIDE Vatopaidi 1993
R.Zwerger: Wege am ATHOS, Wien, 1996/1998
S.Kadas: MOUNT ATHOS Ekdotike Athenon S.A. Athene, 1997

...Vervolg van dit verhaal: Deel 3


(c) Stichting Eikonikon 2012