|

|
Wim van Loon
Het is een mooie zondagochtend
in mei, Griekenland. De ferryboot Axion Esti maakt
zijn dagelijkse vaart langs de westkust van het
Athosschiereiland. En tot mijn gro-te vreugde
ben ik een van de passagiers. Ik geniet intens
van het fantastische berglandschap waarin met
regelmaat een arsanás (kloosterhaventje),
een kellí (monnikencel) of een moní
(klooster) verschijnt. Drie van de twintig hoofdkloosters
van de Heilige Berg (Agion Oros) liggen hier langs
de waterkant. Het zijn de Heilige Kloosters Dochiaríou,
Panteleïmonos (Rosi-kó) en Xenofóntos.
Andere, zoals het Bulgarenklooster Zográfou,
hebben er slechts een arsanás.
Op de pier van dat kloosterhaventje wordt juist
een man gedoopt. Dit alles vormt een prachtige
intro voor een bezoek aan Athos. Het zijn vooral
de omgeving en de alom heersende sfeer die zo
indrukwekkend zijn.
Chilandaríoubrand
Drie maanden na de katastrofale brand in het klooster
van Chilandaríou zet ik in het havenplaatsje
Dafni voet aan wal. Veel nieuwe informatie valt
er ter plaatse evenwel niet over de ramp te verkrijgen.
Een vriend vertelt dat het complex voor iedereen
nog steeds verboden terrein is. En misschien is
dat maar goed ook. Het lijkt er nu op dat het
vuur zo snel om zich heen kon grijpen, doordat
het klooster grootscheeps gerestaureerd werd.
Een omgevallen brandende kaars vormde het begin
van een enorme vuurzee die zich gemakkelijk over
en door de ruimtes kon verplaatsen. Ter bescherming
van het interieur en de binnenmuren hadden de
arbeiders namelijk een voorlopige dak-bedekking
van kunststof aangebracht. Deze bleek uiterst
brandbaar en een prima geleider. In een oogwenk
kon het vuur zich verspreiden, ook vanwege de
vele houten voorzieningen (kozijnen, balustrades,
trappen, meubilair).
In de hoofdplaats Karyes gaat mijn belangstelling
vooral uit naar de Protátonkerk (10e eeuw)
en haar klokkentoren, ook al omdat er berichten
waren geweest dat de klokkentoren in brand had
gestaan. Hoewel mijn Griekse vriend daarvan niet
op de hoogte blijkt, is het duidelijk dat er inderdaad
een brandje heeft gewoed. Er liggen zwarte verkoolde
resten op de grond rondom de toren en het glas
in de ramen is gesprongen. De schade is gelukkig
beperkt gebleven.
Vermoedelijk hangt ook dit brandje samen met restauratiewerkzaamheden.
Die werkzaamheden zijn er bovendien de oorzaak
van dat ik de Protátonkerk, de hoofdkerk
van Athos, niet kan bezoeken. Tot mijn spijt geen
muurschilderingen van Manuel Pansélinos
en geen ikonen uit de Kretenzische School.
De
ikoon Axion Estí
Een voordeel biedt de tijdelijke sluiting van
het Protáton ook. De beroemdste ikoon van
de Heilige Berg Athos, of misschien wel van heel
Griekenland, de Moeder Gods Karyótissa,
beter bekend als de Axion Estí (Het is
pas-send...), is nu gemakkelijker te begroeten.
Ze is voor de duur van de kerkrestauratie overgebracht
naar het kerkje van de Heilige Nikolaas, dat ten
oosten van het Protáton staat. Daar is
ze een stuk toegankelijker en, niet onbelangrijk,
beter te zien dan op haar traditionele plaats.
De eigenlijke plek van de ikoon is achter de ikonostase
van het Protáton, in het Heilige der Heiligen,
op de marmeren troon van de protos. In het half
duister, in het kaarslicht, wordt zij door vele
Athospelgrims begroet en vereerd. De ikoon zelf
is verborgen onder een zilveren bedekking, op
de gezichten van Moeder en Zoon na. Door de eeuwenlange
bewieroking en de kaarsenwalm zijn ze echter niet
zo duidelijk meer te zien, de kleuren zijn zeer
donker geworden. De wonderdoende ikoon Axion Estí
is een Glykofiloúsa-ikoon (de Zoetminnende)
van een bijzonder soort. Ze stelt de Moeder Gods
voor met het Christuskind op de rechterarm. Jezus
op de linkerarm komt meer voor.
Volgens een legende zong de aartsengel Gabriël
de strofe: “Axion Estí, Het is waarlijk
passend U zalig te prijzen, Gij eeuwigzalige en
alreine Moeder Gods…” zelf aan een
kluizenaar voor. De Moeder Gods glimlachte daarbij
instemmend in een stralend licht en wisselde met
het Christuskind van plaats. Aan de beide beginwoorden
van de hymne heeft de wonderdoende ikoon haar
naam te danken. Dat was in de tijd dat er nog
geen reguliere kloosters op Athos bestonden.
Een andere legende vertelt hoe bij Konstantinopel
een soldaat van de keizer tijdens het ikonoklasme,
in het begin van de achtste eeuw, met zijn sabel
zo op de ikoon inhakte, dat er bloed in de zee
stroomde. Geschokt door dit teken vluchtte de
berouwvolle zondaar naar de monniken, naar Athos.
Op een dag vond hij de ikoon op het strand. Ze
bloedde nog steeds en kleurde de zee rood. Trillend
pakte hij haar op en droeg haar snel naar de hoofdkerk
in Karyes. Daar stopte het bloeden, als teken
dat de Moeder Gods de ikonenschender zijn schuld
had vergeven. Dankbaar begonnen de bijeengekomen
monniken de hymne Axion Estí te zingen.
Sindsdien zingt men deze Lofzang dagelijks in
het Protáton.
Bij heel bijzondere gelegenheden verlaat de Axion
Estí de Heilige Berg. Dan krijgen ook vrouwen
de mogelijkheid haar te vereren. Zo werd de ikoon
ter gelegenheid van het millenniumfeest van de
Heilige Berg, in 1963, naar Athene gebracht. Daar
werd zij op ma-jestueuze wijze ontvangen, terwijl
alle klokken van de stad luidden. En ook na de
aardbeving van 1999 in Athene ontvingen honderdduizenden
gelovigen haar met vorstelijke eer.
Wanneer ik na de begroeting van deze bijzondere
Moeder Gods-ikoon mijn pelgrimstocht voortzet,
besef ik met voldoening eens te meer dat ik hier
(een heel klein) deel mag uit maken van een zeer
speciale gemeenschap.
|