De verwarring rond Cinnaber

De verwarring rond Cinnaber

Peter van der Hoven

Vermiljoen als naam van een pigment zal algemeen bekend zijn. Zo bekend, dat al eeuwenlang verwarring bestaat over wat het is, want het lijkt op minium, loodmenie. Het echte cinnaber of vermiljoen is een delfstof, die door de Romeinen gewonnen werd in Spanje, uit een rivier de Minium genaamd, tegenwoordig Menjo geheten. Het werd in brokken gevonden, en om versnijden met minderwaardige stoffen te voorkomen werd het onbewerkt en verzegeld, onder bewaking door soldaten vervoerd. Er waren jaren dat er zo’n 10.000 pond op de markt kwam, en het ging weg voor de vaste prijs van zeventig sestertiën per pond.
Het is niet absoluut zeker wanneer, maar de alchemist Zosimus uit de 3e eeuw zou voor het eerst geschreven hebben over het met hulp van alchemie vervaardigen van vermiljoen.

cinnaber

Kwik, (hydrargium), en zwavel, werden volgens een van de vele theorieën, beschouwd als de ouders der metalen. Door beiden tot een huwelijk te bewegen verkreeg men kunstmatig vermiljoen. Eerst werden beide componenten in de juiste verhouding vermengd in een vijzel, waarbij een zwart kwiksulfide werd gevormd, Aethiops Mineralis. Dit werd in een met klei afgedicht vat gedaan dat verhit werd. Na afkoeling werd het vat gebroken. Wat er uit kwam oogde nog niet echt, maar men wist dat hoe langer het werd aangewreven als pigment, hoe mooier het werd.
Middeleeuwse handschriften waarschuwen al om geen tijd te verprutsen met het zelf te maken, want het was praktisch overal te koop.
Vermiljoen kan soms om onverklaarbare redenen zwart worden. Dat gebeurt zelden in olie of tempera, maar wel in fresco. Maar de fresco’s in Pompei hebben er geen last van.
Men denkt daarom aan vermenging met loodmenie, dat andere ‘minium’.
Om in een psalterium snel de juiste verzen te vinden werden deze bij het begin voorzien van een wat grotere letter, de versaal, die meestal in rood werd uitgevoerd. Daarvoor werd overwegend minium gebruikt, door de miniator, de roodmaker, in ’t latijn : rubricator. Vaak werden er kleine, speelse voorstellinkjes aan toegevoegd, die miniatuur werden genoemd. Zo heeft via een lange omweg een Spaanse rivier haar naam gegeven aan alle piepkleine schilderijtjes.
In de Middeleeuwen beschikte men niet over middelen om iets op echtheid te controleren en was het gemakkelijk bedrog te plegen. Bovendien blijkt uit oude handschriften dat ze niet altijd duidelijk zijn wat naamgeving betreft. En tegenwoordig is het niet beter. Chaos en verwarring alom. Het is het verstandigste om alleen van een betrouwbare leverancier pigmenten te kopen en vervolgens goede vakliteratuur over die pigmenten te raadplegen. En nog een verstandig advies: koop niet te veel soorten!

Een pigment dat bij cinnaber of vermiljoen voor verwarring heeft gezorgd is loodmenie. Het is bij toeval ontdekt in de Oudheid, toen in een haven brand uitbrak bij een opslag van loodwit. Er werd na afloop een briljant oranje aangetroffen, dat al gauw minium werd genoemd, net als vermiljoen. Dat geldt ook voor middeleeuwse handschriften, waar een woord als cinnaber op die beide oranjes kan slaan, maar ook kan duiden op een rood hars, drakenbloed geheten. Sandarac kan slaan hetzij op loodmenie, of op rood arsenicumsulfide, meestal realgar genaamd. Dit laatste is weer een zusje van orpiment, dat goudgeel van tint is. Oorspronkelijk heette het auripigment.
Dat ik zo uitgebreid op verwarring in ga is, omdat ik constateer dat sommige sites op internet geen moeite doen om die uit de wereld te helpen. Men zij gewaarschuwd.
Over cinnaber of vermiljoen wil ik nog opmerken dat men een koele en een warme kleurvariant onderscheidt.

De vurige warme kleur van vermiljoen is precies de kleur die pseudo-Dionysius bedoelt, als hij het heeft over “het rood van vuur en de werkzame kracht zelf”, die staat voor de merkbare liefde waarmee God aanwezig is in de schepping, haar doorgloeit, die men wel aanduidt als immanentie. Hiermee in tegenstelling staat dat God de schepping absoluut overstijgt en uiteindelijk onkenbaar voor alle schepselen is. En hier is de symboolkleur donkerblauw, die staat voor Gods onkenbaarheid, ons turen in het mysterie van een nachtelijk heelal. Beide kleuren ziet men vaak samen, zij het dat het donkerblauw soms donkergroen verschoten is. Men ziet deze kleuren in de geometrische vormen die het Brandende Braambos omvatten, of die de ster vormen in de nimbus van God de Vader, of de andere hypostasen.

Het blauw dat hiervoor regelmatig is gebruikt is azuriet, vervaardigd uit azurietsteen, een mooie donkerblauwe steen. In de Oudheid was er in Armenië een belangrijke vindplaats en daarom sprak men wel van Armeense steen. Maar in de Middeleeuwen ging het lazurium heten door een Perzisch woord voor blauw. Dit werd tot azurium, en zo kon het, als het uit Duitsland afkomstig was, azurrum almaneum gaan heten, en bij Cennino heet het azurro delle magna. In Duitsland zelf heette het wel Bergblau, maar namen als Hongaars blauw, Ragusa blauw, Lombardisch blauw komt men ook tegen. Steeds wordt er azuriet mee bedoeld, gemaakt van de verpulverde steen. Het poeder werd door wassen gezuiverd. Dus heel wat eenvoudiger dan de bereiding van ultramarijn uit de lapis lazuli, dat nog veel kostbaarder was. Azuriet is een basisch kopercarbonaat, dat in tegenstelling met vermiljoen niet te fijn moet worden gewreven. Op ikonen vertoont het zich soms groen, en de vergeling van vernislagen schijnt daarvan de hoofdreden te zijn. Blauw met transparant-geel eroverheen maakt immers groen.

Ik heb verschillende pigmenten via internet kunnen kopen waarvan ik niet had kunnen denken dat ze nog verkrijgbaar waren. Wie zoekt onder: ’Naturalpigments’ vindt vanzelf de site die pigmenten van het merk Rublev verkoopt, heel interessant nu de dollar laag staat. Alle pigmenten worden daar aangeduid met de correcte benaming, en daar was het mij in dit stukje tenslotte om begonnen…

220